Selecteer een pagina

HR 29 januari 2021 ECLI:NL:HR:2021:153

De rechter die beoordeelt of een tussen partijen overeengekomen exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet daarbij alle omstandigheden van het geval betrekken en bovendien terughoudendheid betrachten. Dat het exoneratiebeding wordt ingeroepen ten aanzien van een tekortkoming die de kern van de overeenkomst betreft, en dat zolang die tekortkoming voortduurt de betekenis aan de overeenkomst komt te ontvallen, is dan ook niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 

Achtergrond

Een tussen partijen overeengekomen regel kan op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toch niet van toepassing zijn, als toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Het gebruik van het woord ‘onaanvaardbaar’ laat zien dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing laten van een regel die tussen partijen is overeengekomen. Dat art. 6:248 lid 2 BW terughoudend moet worden toegepast, is dan ook vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de rechter bij de beoordeling of toepassing van een overeengekomen regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alle omstandigheden van het geval moet betrekken.

Deze zaak

De huurder heeft een vordering tot vergoeding van schade, ontstaan door een tekortkoming van verhuurder (een gebrek aan het gehuurde), ingesteld. In reactie hierop beroept de verhuurder zich op verschillende exoneratiebedingen die tussen partijen zijn overeengekomen. De vraag is of dit beroep op deze exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het hof Arnhem-Leeuwarden beantwoordde die vraag bevestigend. Het hof vond van belang dat de tekortkoming van de verhuurder de kern van de prestatie vormt, nu de verhuurder het gehuurde door het gebrek niet ter beschikking van de huurder kan stellen, en dat door die tekortkoming de tussen partijen gesloten huurovereenkomst – en ook de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst – geen enkele betekenis meer heeft. Daarbij vond het hof het van belang dat de verhuurder zich gehouden heeft gevoeld om de huurder gedurende een bepaalde periode wel schadeloos te stellen voor (een deel van) de gevolgen van de tekortkoming.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad wijst erop dat in de tussen partijen gesloten overeenkomst het toepassingsbereik van de exoneratiebedingen nader was beperkt. Zo was in de overeenkomst onder meer bepaald dat de exoneratiebedingen niet van toepassing waren ten aanzien van bedrijfsschade die het gevolg is van een gebrek aan het gehuurde dat verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of had behoren te kennen. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat het hof de stelling van de verhuurder, dat hij het gebrek niet kende of had behoren te kennen bij het aangaan van de huurovereenkomst, niet heeft verworpen. Hoewel de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden overweegt, betekent dit dat in cassatie – als hypothetisch feitelijke grondslag – van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan. In cassatie gold daarmee tot uitgangspunt niet alleen dat de exoneratiebedingen in hun toepassingsbereik nader beperkt waren, maar ook dat de tekortkoming waar het hier om ging binnen dat beperkte toepassingsbereik viel. Verder haalt de Hoge Raad aan dat uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat de tekortkoming niet langer voortduurt. Hoewel de Hoge Raad ook dit niet met zoveel woorden overweegt, lijkt dit met name van belang te zijn vanwege het door het hof genoemde argument dat door de tekortkoming elke betekenis aan de tussen partijen gesloten overeenkomsten is komen te ontvallen.  Dat gold dus (mogelijk) niet voor de gehele looptijd van de overeenkomst, maar enkel zolang de tekortkoming voortduurde.

In het licht van deze omstandigheden, zo oordeelt de Hoge Raad:

“heeft het hof met zijn oordeel dat het beroep van [de verhuurder] op de exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de terughoudendheid miskend waarmee de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast, dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd”.

Daarbij geldt dat de door het hof genoemde omstandigheden – de tekortkoming betreft de kern van de prestatie, door de tekortkoming is aan de tussen partijen gesloten overeenkomsten elke betekenis komen te ontvallen en de verhuurder heeft de huurder gedurende een bepaalde periode schadeloos gesteld – volgens de Hoge Raad onvoldoende duidelijk maken waarom het beroep op de exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof. Hiermee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van Advocaat-Generaal Lückers. Dat lijkt met name zijn oorzaak te vinden in de omstandigheid dat de Advocaat-Generaal de overwegingen van het hof anders leest dan de Hoge Raad, en niet op een juridisch inhoudelijk verschil van inzicht.

Na verwijzing moet opnieuw, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en van al hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, worden beoordeeld of toepassing van de exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Algemene lessen?

Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad een sterk casuïstisch karakter heeft, kan uit de uitspraak worden afgeleid dat de omstandigheid dat de tekortkoming ziet op de kern van de prestatie, of dat de tekortkoming tot gevolg heeft aan de overeenkomst (gedurende een bepaalde tijd) elke betekenis komt te ontvallen, niet – of in ieder geval: niet zonder meer – voldoende is voor het oordeel dat het beroep op een exoneratiebeding ten aanzien van de schade die het gevolg is van die tekortkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De Hoge Raad benadrukt met deze uitspraak verder zijn vaste jurisprudentie dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (van art. 6:248 lid 2 BW) door de rechter terughoudend moet worden toegepast en dat de rechter bij de beoordeling of een regel uit de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alle omstandigheden van het geval moet betrekken.

Share This