Selecteer een pagina

HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:931

Uit art. 1a lid 1 van de Wet op de huurtoeslag jo. art. 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir volgt dat huurtoeslag niet vatbaar is voor beslag, tenzij het gaat om beslag door de verhuurder vanwege het niet betalen van de huur. Deze uitzondering laat ruimte voor beslaglegging door de verhuurder op toeslag voor een huurschuld die betrekking heeft op een eerdere periode dan de periode waarop de huurtoeslag betrekking heeft.

De casus

Portaal heeft tot en met september 2020 een woning verhuurd aan de huurder. De kantonrechter heeft de huurder veroordeeld tot betaling aan Portaal van € 622,75 ter zake van de huur tot en met oktober 2017, verhoogd met rente en (proces)kosten (hierna: de oude huurschuld). Portaal heeft met dit vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd op de huurtoeslag van de huurder. Portaal heeft zo in de periode van 26 maart 2018 tot en met 28 november 2018 € 1.781,59 geïnd.

In deze procedure vordert Portaal ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van € 1.191,69 aan achterstallige huur over de periode tot en met juni 2019 en een vergoeding van € 540,78 per maand vanaf 1 juli 2019 voor het gebruik van de woning tot de ontruiming, vermeerderd met rente en kosten.

De beslissingen in de feitelijk instanties

De kantonrechter heeft de vorderingen van Portaal toegewezen. Het hof heeft die vorderingen alsnog afgewezen. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat de huursubsidie is bedoeld om de huurder beter in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen, wat iets anders is dan de voldoening van (hier) de oude huurschuld. Het beslag door Portaal frustreerde daarmee de besteding van de huursubsidie aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend. Bovendien zou de incasso van de oude huurschuld door de beslaglegging een ‘nieuwe’ huurschuld doen ontstaan, omdat de huursubsidie wordt toegekend omdat de huurder zonder die subsidie de lopende huurtermijnen niet kan betalen. Het hof meende daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever met het verstrekken van huursubsidie en het beslagverbod te handelen door de door de beslaglegging geïnde huursubsidie in mindering te brengen op de (nieuwe) huurvordering in de onderhavige procedure.

De Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt deze beslissing. Hij stelt voorop dat art. 1a lid 1 van de Wet op de huurtoeslag bepaalt dat op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing is. Art. 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir bepaalt dat een tegemoetkoming (hier: huurtoeslag) niet vatbaar is voor beslag, tenzij het betreft beslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie (hier: het ter beschikking stellen van de huurwoning) waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming. De hoofregel dat een tegemoetkoming niet vatbaar is voor beslag, strekt ter bescherming van de belanghebbende en beoogt te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd. Voor een geval als hier aan de orde betekent dit dat, indien een huurder zijn huur niet betaalt, de verhuurder beslag kan leggen op zijn huurtoeslag.

Dit betekent echter niet, aldus de Hoge Raad, dat het beslag dan ook slechts zou mogen worden gelegd op de huurtoeslag voor de periode waarop de achterstallige huur ziet:

“Die uitzondering [op het beslagverbod van art. 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir] berust erop dat het billijk is dat een verhuurder verhaal kan zoeken op de huurtoeslag als de belanghebbende niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de verhuurder, omdat de huurtoeslag is bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn huurbetalingsverplichting te voldoen. De wetgever heeft aldus een inhoudelijk verband gelegd tussen de vordering van de verhuurder en de huurtoeslag. Niet blijkt dat ook een temporeel verband is beoogd in de zin dat de verhuurder slechts beslag zou kunnen leggen op de huurtoeslag voor de periode waarop de achterstallige huur ziet. Een zodanig temporeel vereiste ligt ook niet voor de hand, omdat executoriaal beslag vrijwel steeds wordt gelegd voor schulden die in het verleden zijn ontstaan.

De Hoge Raad overweegt verder dat, indien de verhuurder beslag legt op de huurtoeslag, art. 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir niet eraan in de weg staat dat het beslag ook strekt tot verhaal van de rente en kosten die de huurder over de huurschuld verschuldigd is.

Het hof heeft, kortom, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat art. 45 Awir geen ruimte laat voor beslaglegging voor een huurschuld die betrekking heeft op een eerdere periode dan de periode waarop de huurtoeslag betrekking heeft.

De Hoge Raad merkt ten slotte op dat, indien beslaglegging op de huurtoeslag een ‘nieuwe’ huurschuld doet ontstaan omdat de huurder zonder de huurtoeslag de lopende huurtermijnen niet kan betalen, de rechter deze omstandigheid dient te betrekken bij zijn beoordeling of de nieuwe huurschuld een tekortkoming is die de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW).

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst het geding naar het hof ’s-Hertogenbosch. Deze afdoening is conform de conclusie van A-G Wissink.

Share This