Selecteer een pagina

HR 8 februari 2013, LJN BY4279

(1) Als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen geldt in de regel de datum van de verdeling. In de enkele omstandigheid dat partijen de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, ligt echter nog niet besloten dat zij een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen.
(2) Met het wettelijk stelsel van art. 6:119 BW is onverenigbaar dat een gewezen echtgenoot, zonder in verzuim te zijn geraakt, zonder meer op aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ontleende gronden zou zijn gehouden om aan de andere gewezen echtgenoot een rentevergoeding te betalen over een wegens overbedeling verschuldigde geldsom.

Rechtbank

Het gaat in deze zaak om de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Man en vrouw waren sinds 1975 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is in juli 2004 ontbonden. Partijen hebben getracht in onderling overleg te komen tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar zijn daarin niet geslaagd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er tussen partijen overeenstemming bestond over de toedeling van de verschillende boedelbestanddelen. Het geschil spitste zich toe op de waardering van enkele vermogensbestanddelen. De rechtbank aanvaardde als peildatum voor de waardebepaling van de boedelbestanddelen de door de man voorgestelde datum, namelijk de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw is in hoger beroep opgekomen tegen dit oordeel van de rechter omdat volgens haar als hoofdregel geldt dat de datum van de verdeling als peildatum voor de waardering heeft te gelden. Ook heeft zij gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen het eens waren over de toescheiding van de boedelbestanddelen en tegen de afwijzing van de vordering tot vaststelling van een redelijke rentevergoeding over het door de man wegens overbedeling aan de vrouw verschuldigde bedrag.

Hof

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap is vastgesteld. Ten aanzien van de peildatum heeft het hof overwogen dat de hoofdregel is dat het tijdstip van de verdeling geldt als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, dus de dag dat de echtgenoten de verdelingshandeling verrichten als bedoeld in artikel 3:182 BW, waarmee de overeenkomst van verdeling tot stand komt. Van deze regel kan worden afgeweken, aldus het hof, indien partijen een andere peildatum overeen zijn gekomen of indien de rechter meent dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel dient te worden afgeweken. Nu die overeenstemming over de verdeling reeds tijdens het huwelijk was bereikt, kon de rechtbank geen andere peildatum voor de omvang van de gemeenschap vaststellen dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof heeft de vrouw vergoeding toegewezen van het gemiste rendement over de overbedeling die de man aan de vrouw heeft uitgekeerd, nu zij dit rendement over het vermogen heeft gemist tussen de dag van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en de dag van uitkering van het bedrag.

Hoge Raad

Tegen het oordeel van het hof heeft de man cassatieberoep ingesteld en de vrouw incidenteel cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt in het incidentele beroep dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat in de enkele omstandigheid dat partijen de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, besloten ligt dat zij een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen.

“4.2.2 (…) Deze feitelijke verdeling met wederzijdse instemming impliceert immers niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling).”

Dit neemt overigens niet weg dat, indien aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over en weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt. Van een dergelijke situatie was in casu volgens de Hoge Raad echter geen sprake, nu de vrouw in hoger beroep een grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen het eens zijn over de verdeling van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen, heeft gesteld dat nog geen verdeling heeft plaatsgevonden, en heeft gevorderd dat het hof de wijze van verdeling zelf zou vaststellen. Het hof kon niet volstaan met het oordeel dat partijen reeds tijdens hun huwelijk overeenstemming hadden bereikt over de feitelijke verdeling van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen.

In het principale beroep oordeelt de Hoge Raad met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen wettelijke rente als volgt:

“5.3 (…) De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, is in art. 6:119 BW geregeld. Deze vergoeding moet worden berekend over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest. Met dit wettelijk stelsel is onverenigbaar dat een gewezen echtgenoot, zonder in verzuim te zijn geraakt, zonder meer op aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ontleende gronden zou zijn gehouden om aan de andere gewezen echtgenoot een rentevergoeding te betalen over een wegens overbedeling verschuldigde geldsom. Het hof heeft dit miskend en dus van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.”

De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het hof Den Haag.

De man is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand.

Share This