HR 23 september 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BQ8092 (Mr. Dekker q.q./X)

Ook een vordering op de boedel waarover ten tijde van de faillietverklaring al een procedure aanhangig is, moet ter verificatie worden aangemeld. Het aanhangige geding wordt dan geschorst, en wordt alleen voortgezet wanneer de curator of een andere schuldeiser de vordering betwist. In dat geval wordt de al aanhangige procedure voortgezet tussen de betrokken schuldeiser en degene die de betwisting doet.

In dit cassatieberoep gaat het uitsluitend over procedurele kwesties. Het geschil speelt zich af tussen een curator van een vennootschap en een (andere) schuldeiser in het faillissement van de bestuurder van de vennootschap.

De curator van een failliete vennootschap had de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW). Ook van deze bestuurder is het faillissement uitgesproken. De rechtbank heeft de vordering van de curator van de vennootschap toegewezen. Tegen dit vonnis is de curator in het faillissement van de bestuurder in appel opgekomen. Tijdens de (nadien gehouden) verificatievergadering in het faillissement van de bestuurder is de vordering van de curator van de vennootschap (ook) betwist door een andere schuldeiser, de verweerder in dit cassatieberoep. Hierop heeft de rechter-commissaris partijen verwezen naar het gerechtshof dat diende te oordelen over het reeds ingestelde hoger beroep. Tegen deze verwijzing is de curator van de vennootschap in cassatie opgekomen. Zoals uit de conclusie van de advocaat-generaal blijkt, had de curator tegen deze verwijzing overigens – zekerheidshalve – ook hoger beroep ingesteld.

De Hoge Raad verduidelijkt in zijn uitspraak het stelsel van de Faillissementswet in geval van vorderingen op de boedel waarover al een procedure aanhangig is met de volgende (zeer uitvoerige) algemene overweging:

“Het stelsel van de Faillissementswet houdt, voor zover hier van belang, het volgende in. Vorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement op geen andere wijze worden ingesteld dan door aanmelding ter verificatie (art. 26 F.). Zij kunnen worden betwist door de curator en door de andere schuldeisers (art. 112 en 119 lid 1 F.). Worden zij betwist, dan volgt verwijzing naar de rechtbank op de voet van art. 122 lid 1 F. In de hiermee aanhangig gemaakte procedure staat de schuldeiser wiens vordering betwist wordt, tegenover de curator en/of andere schuldeiser(s) die de betwisting doen, als wederpartij.

De regel van art. 26 F. geldt ook als de vordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, ten tijde van de faillietverklaring al in een geding aan de rechter is voorgelegd. Het geding wordt dan geschorst, om alleen te worden voortgezet indien de verificatie van de vordering wordt betwist (art. 29 F.). In dat laatste geval vindt volgens art. 122 lid 1 F. geen verwijzing plaats, omdat het geding al aanhangig is.

Op grond van art. 29 F. wordt in dat geval het geding tegen de betrokken schuldeiser voortgezet door degenen die de betwisting doen, dus de curator en/of een of meer van de andere schuldeisers. Deze neemt of nemen het geding over als wederpartij van de betrokken schuldeiser.

Een uitzondering op de schorsing van art. 29 F. geldt wanneer vóór de faillietverklaring de stukken van het geding al aan de rechter zijn overgelegd voor het geven van een beslissing (art. 30 lid 1 F.). Indien de rechter in dat geval geen einduitspraak doet, maar een tussenuitspraak, is art. 29 F. alsnog van toepassing en wordt het geding dus alsnog overeenkomstig het artikel geschorst, met de daarin genoemde, hiervoor omschreven gevolgen.

De uitspraak waartoe de hiervoor genoemde procedures leiden, is, indien eenmaal onherroepelijk, bindend voor de boedel en voor alle betrokkenen bij het faillissement, op dezelfde wijze als een voor het faillissement gedane en onherroepelijk geworden uitspraak. Het bestaan en de omvang van de vordering staan door die uitspraak vast. Opmerking verdient dat art. 29 en 30 F. ook van toepassing zijn in een aanhangig hoger beroep en een aanhangig cassatieberoep en dat het vorenstaande dan eveneens geldt. Voorts verdient opmerking dat na het uitspreken van het faillissement door de curator een rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een uitspraak waarvan de termijn voor het instellen van dat rechtsmiddel nog niet is verstreken.(..)”.

De Hoge Raad beslist vervolgens naar aanleiding van specifiek deze zaak dat:

  • ook indien de schuldeiser over een onherroepelijk vonnis voor zijn vordering beschikt, zijn vordering dient te worden geverifieerd
  • de verificatie in dat geval in de regel zal kunnen bestaan uit de constatering dat, gelet op het vonnis, de vordering moet worden erkend;
  • indien renvooi plaatsvindt (art. 122 lid 1 F) of indien de procedure wordt voortgezet (art. 29 F) de vordering (vooralsnog) niet zal (kunnen) worden geplaatst op de lijst van erkende vorderingen;
  • als de vordering in een van deze procedures alsnog onherroepelijk wordt toegewezen, deze vordering in de uitdelingslijst zal moeten worden opgenomen, zonder dat nog een nadere verificatie nodig is.

Voor schorsing van de procedure na de faillietverklaring (art. 29 F) is in een geval als dit geen grond. De Hoge Raad wijst hierbij op zijn arrest van 16 januari 2009 (LJN ECLI:NL:HR:2009:BH0070, NJ 2009, 55). De curator heeft immers door het instellen van hoger beroep al de keuze gemaakt voor het voortzetten van de procedure. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat andere schuldeisers de bevoegdheid hebben om deel te nemen aan deze procedure over de vordering en tegen deze vordering kunnen inbrengen wat daartegen naar hun mening in te brengen valt. Wel geldt, net als bij toepassing van art. 122 lid 4 F, dat de desbetreffende schuldeiser de vordering ter verificatievergadering moet hebben betwist. De schuldeiser is vervolgens niet afhankelijk van voortzetting van de procedure door de curator. Dat betekent dat, ook als de curator tot een beëindiging van het geschil zou komen met de schuldeiser wiens vordering inzet vormt van de procedure, de procedure tegen de tot het geding toegelaten schuldeiser wordt voortgezet. Met deze laatste overwegingen is advocaat-generaal Wuisman alsnog op zijn wenken bediend. Deze had in zijn conclusie (onderdeel 2.2 en 2.2.3) voor het eerdergenoemde arrest uit 2009 aandacht gevraagd voor de positie van eventuele medeschuldeisers in geval van voortzetting van een procedure door de curator.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de beslissing van de rechter-commissaris in deze zaak geen beschikking oplevert in de zin van art. 67 F (omdat het gaat om een bevoegdheid van andere schuldeisers), zodat van deze beslissing geen hoger beroep, maar cassatieberoep open stond.

Share This