HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203

Verlenging van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd daarvan is niet mogelijk op andere dan de wettelijke gronden, zodat het belang van de schuldeisers daarvoor geen zelfstandige grond kan zijn.

Achtergrond

In deze zaak gaat het om de vraag onder welke omstandigheden de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling kan verlengen. Verzoekster is door de rechtbank toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op het moment van toelating was verzoekster net begonnen met een HBO-opleiding. Hoewel een schuldenaar in principe verplicht is om fulltime te werken, althans serieus werk te zoeken en dit in het algemeen niet samen gaat met het volgen van een opleiding, is verzoekster toch toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft daarbij wel bepaald dat verzoekster zich dient te houden aan de afspraken die in overleg met de bewindvoerder en na instemming van de rechter-commissaris worden gemaakt ten aanzien van (een eventuele verlenging van) de looptijd van de verplichting te werken naast de opleiding. De rechter-commissaris heeft de inspanningsverplichting op twintig uur per week gesteld.

Toen het einde van de schuldsaneringsregeling naderde, heeft de bewindvoerder verklaard dat verzoekster aan haar verplichtingen heeft voldaan. De bewindvoerder adviseerde daarbij wel een verlenging van de schuldsaneringsregeling met twee jaar, omdat verzoekster in verband met de opleiding gedurende de schuldsaneringsregeling niet volledig voor arbeid beschikbaar was geweest. De rechter-commissaris adviseerde om verzoekster de schone lei te verlenen. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling vervolgens met twee jaar verlengd. Het hof bekrachtigde dit vonnis. Het hof overwoog daarbij dat de rechter op grond van art. 349a Fw een ruime beoordelingsmarge heeft bij het verlengen van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Naar het oordeel van het hof heeft verzoekster niet volledig aan haar inspanningsverplichting voldaan, omdat zij gedurende de reguliere termijn van de schuldsanering niet volledig beschikbaar is geweest voor de schuldeisers aangezien zij een voltijd Hbo-opleiding volgde. Het niet voldoen aan deze verplichting is volgens het hof een reden om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen.

Cassatie

Verzoekster komt van dit oordeel in cassatie en klaagt (onder meer) dat het hof heeft miskend dat, wanneer een schuldenaar door de rechter-commissaris gedeeltelijk is vrijgesteld van een inspanningsverplichting, het feit dat de schuldenaar de verplichting waarvoor de vrijstelling is gegeven niet nakomt niet kan worden aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming. De Hoge Raad acht deze klacht gegrond. In de Recofa-richtlijnen (art. 3.5 onder b en d) is in dit verband bepaald dat een schuldenaar zonder betaald werk een sollicitatieplicht heeft met het oog op het verkrijgen van fulltime werk, tenzij de rechter-commissaris hiervoor een ontheffing verleend. De inspanningsverplichting is in de onderhavige zaak door de rechter-commissaris vastgesteld op twintig uur. Het staat vast dat verzoekster aan die verplichting heeft voldaan. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof dan ook ten onrechte geoordeeld dat verzoekster niet volledig aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.

Daarnaast klaagde verzoekster tegen het oordeel van het hof dat de schuldsaneringsregeling met twee jaar kon worden verlengd. Ook deze klacht acht de Hoge Raad gegrond. Daartoe zet de Hoge Raad allereerst de mogelijkheden tot verlenging van de termijn uiteen. De reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt drie jaar (art. 349a lid 1 Fw). In afwijking daarvan kan de rechter de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen (art 349a lid 1, tweede zin, Fw). Dit is mogelijk bij de beoordeling of tussentijds beëindigen is aangewezen (art. 350 Fw) of bij het einde van de looptijd (art. 352 Fw). Ook de rechter-commissaris kan (bij schriftelijke beschikking) de termijn wijzigen (art. 349a lid 2 Fw). In de onderhavige zaak gaat het om de vraag in welke gevallen de rechter bij het einde van de looptijd de termijn kan verlengen. Bij de beantwoording van die vraag is naar het oordeel van de Hoge Raad de gang van zaken bij de nadering van het einde van de vastgestelde looptijd van belang. Op grond van art. 354 lid 1 Fw  doet de rechter uiterlijk op de achtste dag na de terechtzitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (art. 352 Fw), uitspraak of de schuldenaar in de nakoming van de verplichtingen is tekortgeschoten. Indien er sprake is van een tekortkoming wordt beoordeeld of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw). Art. 354 lid 2 Fw bepaalt dat het onder omstandigheden mogelijk is dat de toerekenbare tekortkoming buiten beschouwing blijft. Als er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming wordt een ‘schone lei’ verleend (art. 356 lid 2 Fw).

Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2014:2935 (besproken in CB 2014-158) overweegt de Hoge Raad vervolgens dat indien de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten en deze tekortkoming niet buiten beschouwing wordt gelaten, de rechter kan besluiten tot verlenging van de schuldsaneringsregeling. Naar het oordeel van de Hoge Raad is verlenging van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd niet mogelijk op andere dan de wettelijke gronden zoals hiervoor beschreven. Dit betekent dat het belang van de schuldeisers daarvoor geen zelfstandige grond voor een verlenging zijn. Nu vaststaat dat verzoekster in dit geval aan haar inspanningsverplichting (van twintig uur) had voldaan en er dus geen sprake was van een toerekenbare tekortkoming, is er naar het oordeel van de Hoge Raad geen grond voor verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster dient te worden beëindigd onder toekenning van de schone lei. Mede met oog op de vaststelling van het salaris van de bewindvoerder verwijst de Hoge Raad de zaak terug naar de rechtbank.

Share This