Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

WSNP: schending van een schuldsaneringsverplichting is niet zonder meer toerekenbaar aan de schuldenaar door nalatigheid bewindvoerder

CB 2018-37 Geplaatst op 15 februari 2018 door

HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145

Dit arrest is een vervolg op HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110 waarin is beslist dat tekortkomingen in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen niet zonder meer aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend indien een bewindvoerder zijn verplichting niet is nagekomen. Het verwijzingshof heeft beslist dat de bewindvoerder zijn verplichting wel is nagekomen. De Hoge Raad acht dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd en verwijst het geding (opnieuw) naar een ander hof.

Achtergrond

Het is de tweede keer dat deze WSNP-zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (na een eerdere cassatie en verwijzing). Het gaat in deze zaak om de vraag of aan verzoekster terecht geen schone lei is verleend bij de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Rechtbank en hof hadden geen schone lei verleend, omdat verzoekster bovenmatige nieuwe schulden had laten ontstaan en geen beschermingsbewind had aangevraagd. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd en het geding verwezen naar een ander hof, omdat het hof het verweer van verzoekster dat de bewindvoerder de verplichting had om ‘nauwgezet te monitoren’ dat beschermingsbewind zou worden aangevraagd en dat niet heeft gedaan, ten onrechte niet in de beoordeling had betrokken (besproken in CB 2017-17).

Verwijzingshof: bewindvoerder is verplichting nagekomen

Het verwijzingshof is tot de slotsom gekomen dat de bewindvoerder de genoemde verplichting voldoende is nagekomen en dat de nieuw ontstane schulden aan verzoekster zijn toe te rekenen. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de verklaringen van de bewindvoerder ter zitting na verwijzing.

Hoge Raad: oordeel van het hof is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd

Verzoekster komt van dit oordeel in cassatie en klaagt ten eerste dat het hof de verklaringen van de bewindvoerder niet bij de beoordeling had mogen betrekken. Anders dan A-G van Peursem gaat de Hoge Raad daar niet in mee. De vraag of een schone lei kan worden verleend, dient door de rechter ambtshalve te worden beantwoord. Van geschilbeslechting is geen sprake en de bewindvoerder is dan ook geen partij of belanghebbende in de procedure. Bovendien is de rechter niet gebonden aan hetgeen de bewindvoerder in de procedure naar voren brengt. Het hof diende na verwijzing zelfstandig nader onderzoek te doe naar de door verzoekster gestelde nalatigheid van de bewindvoerder. Het stond het hof naar het oordeel van de Hoge Raad dan ook vrij om nadere inlichtingen bij de bewindvoerder in te winnen en deze in de beoordeling te betrekken.

Verzoekster klaagde daarnaast dat het hof de plicht van de bewindvoerder tot ‘nauwgezet monitoren’ heeft miskend. Deze klacht acht de Hoge Raad gegrond. Het oordeel van het hof dat verzoekster nieuwe schulden heeft laten ontstaan die aan haar kunnen worden toegerekend en dat de bewindvoerder de verplichting voldoende is nagekomen is volgens de Hoge Raad onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Het hof heeft uit de verklaringen van de bewindvoerder ter zitting afgeleid dat contact is opgenomen met de schuldhulpverlener Plangroep en het tot stand komen van het beschermingsbewind geheel aan Plangroep is overgelaten. Niet is gebleken dat de bewindvoerder hierover zelf contact met verzoekster heeft onderhouden of zelfs heeft opgenomen, dan wel waarom het onderhouden of opnemen van contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kan worden gevergd. Dit terwijl vaststaat dat verzoekster door haar leeftijd en psychische gesteldheid “niet bij machte is om haar verplichtingen na te komen”, en dat in verband hiermee het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk was.

Tegen deze achtergrond komt de Hoge Raad tot de slotsom dat het hof niet kon volstaan met een verwijzing naar de verklaring van de bewindvoerder als onderbouwing van zijn oordeel dat de bewindvoerder wel degelijk voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag van verzoekster.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest en verwijst het geding (opnieuw) naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

email print