HR 22 juni 2012, LJN BW0393 (Knooble/Staat en NNI)

Waar NNI niet bij of krachtens de wet bevoegd is tot het vaststellen van algemeen verbindende regels, kunnen NEN-normen niet worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in art. 89 lid 4 Grondwet en art. 3 en 4 Bekendmakingswet, ook niet voor zover in de wetgeving daarnaar wordt verwezen. NEN-normen kunnen daarom evenmin gelden als “door de openbare macht uitgevaardigd” als in art. 11 Auteurswet bedoeld.

Een uitvoeriger bespreking van het onderwerp van deze zaak op Cassatieblog is hier (door Femke Ruitenbeek-Bart) en hier (door Martijn Scheltema) te vinden. Kort gezegd gaat het om de status van NEN-normen, of preciezer: de NEN-normen waarnaar in het Bouwbesluit en de Regeling Bouwbesluit wordt verwezen. NEN-normen zijn door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgebrachte normen (deels afkomstig uit internationale normen) die in overleg met belanghebbenden en technici tot stand zijn gekomen. NEN-normen zijn dus niet door de overheid zelf opgesteld. Ze zijn niet vrij verkrijgbaar of in te zien op internet en ze zijn ook niet gepubliceerd in het Staatsblad of de Staatscourant. NEN-normen zijn alleen tegen betaling te verkrijgen bij het NNI en kunnen voor het overige bij het NNI worden ingezien (maar niet gekopieerd). Het NNI beroept zich in dit verband op haar auteursrecht op de normen. Zo kan NNI inkomsten genereren, die weer (onder meer) voor de ontwikkeling van nieuwe normen kunnen worden ingezet.

De Bekendmakingswet eist dat alle algemeen verbindende voorschriften (dus ook AMvB’s als het Bouwbesluit) worden bekendgemaakt in het Staatsblad. De vraag is nu of NEN-normen algemeen verbindende voorschriften zijn. Als dat zo is, zou dat dus betekenen dat overheden geen beroep op die normen zouden kunnen doen omdat deze niet rechtsgeldig bekend zijn gemaakt. Verder geldt dat volgens art. 11 Aw geen auteursrecht rust “op wetten, besluiten en verordeningen, door de openbare macht uitgevaardigd”. Als NEN-normen door de openbare macht uitgevaardigde wetgeving vormen, zou het NNI dus geen beroep kunnen doen op zijn auteursrecht. Eiser tot cassatie in deze zaak, Knooble, zou de normen dan gewoon op zijn website mogen plaatsen.

Maar NEN-normen zijn geen algemeen verbindende voorschriften, oordeelt de Hoge Raad, in navolging van het Hof en de Raad van State:

“De in art. 89 lid 4 Grondwet en art. 3 en 4 Bekendmakingswet bedoelde algemeen verbindende voorschriften zijn naar buiten werkende, de burgers bindende, regels die uitgaan van een orgaan dat de bevoegdheid tot die regelgeving aan de wet in formele zin ontleent. Art. 2 Woningwet voorziet erin dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur technische voorschriften worden gegeven omtrent, onder meer, het bouwen van een bouwwerk. Art. 3 Woningwet voegt daaraan toe dat bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. 2 kan worden verwezen naar, onder meer, normen of delen van normen. Art. 3 beoogt hiermee, zoals bevestigd wordt door de parlementaire geschiedenis als geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nrs. 3.16-3.18, niet het instituut dat die normen opstelt, bevoegd te maken tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Waar NNI ook anderszins niet bij of krachtens de wet bevoegd is tot het vaststellen van algemeen verbindende regels, kunnen de NEN-normen niet worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in art. 89 lid 4 Grondwet en art. 3 en 4 Bekendmakingswet, ook niet voor zover het Bouwbesluit en de Regeling Bouwbesluit ernaar verwijzen. Het oordeel van het hof dat die verwijzing de desbetreffende NEN-normen niet tot algemeen verbindende voorschriften in de (beperkte) zin van de Grondwet of de Bekendmakingswet maakt, die eerst van kracht worden na publicatie als geregeld in de Bekendmakingswet, is dus juist.”

En daardoor kan het NNI zijn auteursrecht op de normen doen gelden. Nu de NEN-normen niet afkomstig zijn van de openbare macht en niet kunnen worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften in de zin van de Grondwet of de Bekendmakingswet, kunnen zij ook niet gelden als “door de openbare macht uitgevaardigd” als in art. 11 Auteurswet bedoeld.

Dat laatste oordeel levert het NNI bovendien een volledige proceskostenvergoeding op grond van art. 1019h Rv op, omdat het NNI zich had verweerd tegen de door Knooble gevorderde verklaring voor recht dat op haar NEN-normen geen auteursrecht rustte. De Hoge Raad verwerpt het standpunt van Knooble dat slechts een deel van het verweer van NNI specifiek over het auteursrechtelijke punt ging,

omdat de op art. 89 lid 4 Grondwet en art. 3 en 4 Bekendmakingswet betrekking hebbende geschilpunten bepalend zijn voor de uitkomst van het auteursrechtelijke geschilpunt.

NNI achtte een bedrag aan proceskosten van € 60.000 redelijk en evenredig. De Hoge Raad laat zich er niet over uit of hij dat ook vindt, want Knooble heeft het door NNI gespecificeerde bedrag niet gemotiveerd bestreden, zodat het geheel kan worden toegewezen.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema.

Share This