HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:898 (X/Curatoren Econcern N.V.) en ECLI:NL:HR:HR:2014:904 (UWV/Curatoren Econcern N.V.)

Een richtlijnconforme interpretatie brengt niet met zich dat vorderingen die voortvloeien uit een art. 2:403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn.

Deze twee arresten zijn gewezen na sprongcassatie en komen voort uit de faillietverklaring van Econcern N.V. Deze vennootschap had op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW verklaringen (403-verklaring) gedeponeerd inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen van twee in deze arresten genoemde dochtermaatschappijen.

In de eerste zaak (nr. 898) had een werknemer een loonvordering op een dochtermaatschappij uit hoofde van een arbeidsovereenkomst. Deze vordering is op de voet van art. 3:288 onder e BW bevoorrecht. In de tweede zaak (nr. 904) ging het om een bevoorrechte vordering van UWV wegens loonaanspraken jegens een andere failliete dochter.

De curatoren hadden de vorderingen van de werknemer en het UWV voorlopig erkend, maar niet de ingeroepen voorrechten. De rechtbank had geoordeeld dat deze vorderingen jegens Econcern inderdaad niet bevoorrecht zijn. De Hoge Raad laat deze oordelen in stand met de volgende motivering:

  • voorrechten ontstaan alleen uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW);
  • de aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring;
  • art. 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling verbindt aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust een voorrecht;
  • het beroep op art. 6:142 BW treft reeds geen doel omdat door het afleggen van de 403-verklaring geen sprake is van overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser;
  • tekst noch strekking van richtlijn 78/660/EG brengt mee dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring eenzelfde voorrecht verbonden moet zijn.

Ingevolge richtlijn 78/660/EG betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen behoefden de lidstaten een aantal voorschriften van deze richtlijn betreffende de inhoud, de controle en de openbaarmaking van de jaarrekening niet steeds toe te passen op tot een groep behorende vennootschappen. Dat was onder meer het geval indien de beheersende vennootschap zich “garant heeft verklaard” voor de door de afhankelijke vennootschap aangegane verplichtingen (art. 57). Deze richtlijn is inmiddels vervangen door Richtlijn 2013/34/EU, waarin, in art. 37, eenzelfde bepaling is opgenomen.

Share This