Alle berichten met de tag: BW art. 2:403


HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:546 (SNS c.s./curatoren)

Verzet schuldeisers bij intrekking 403-verklaring. 1. In een geval waarin bij één beschikking in meerdere verzetprocedures uitspraak is gedaan, kan bij één verzoekschrift een rechtsmiddel worden aangewend; 2. De rechter dient, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. Aan dat oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen. (meer…)

HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837 (Eikendal q.q. / verweerster)

Een door de dochtervennootschap getroffen schikking met een crediteur die een vordering op haar heeft, heeft niet tot gevolg dat de moedervennootschap, die zich door een op de voet van artikel 2:403 lid 1 aanhef en sub f BW afgelegde verklaring hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden die uit door de dochtervennootschap verrichte rechtshandelingen voortvloeien, jegens de betreffende crediteur van die aansprakelijkheid is bevrijd. (meer…)

HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:898 (X/Curatoren Econcern N.V.) en ECLI:NL:HR:HR:2014:904 (UWV/Curatoren Econcern N.V.)

Een richtlijnconforme interpretatie brengt niet met zich dat vorderingen die voortvloeien uit een art. 2:403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn. (meer…)