HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1506, Provincie Zeeland/erven X

Algemene ruimtelijke beleidsvisies, die geen bestemmings- of inpassingsplan zijn, en nog niet het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend bevatten, worden niet op grond van art. 40c Ow weggedacht. Bij het bepalen van de schadeloosstelling voor onteigening wordt dus wel rekening gehouden met dergelijke plannen en de verwachtingen die dergelijke plannen wekken.

Feitelijke instantie

De Provincie Zeeland heeft een perceel in Zeeuws-Vlaanderen onteigend om het Provinciaal Inpassingsplan (de provinciale variant van het bestemmingsplan) ‘Waterdunen’ te realiseren. Dit inpassingsplan voorziet in de ontwikkeling van een groot natuur- en recreatiegebied en kustversterking. Aan het inpassingsplan ligt een Inrichtingsplan uit 2009 van de Provincie ten grondslag. Volgens dat plan wordt op het onteigende perceel onder meer een fietspad, een watergang en een parkeerplaats gerealiseerd.

De rechtbank heeft de invloed van de bestemmingen die door het Inpassingsplan op het onteigende rusten, bij het bepalen van de waarde geëlimineerd, omdat het Inpassingsplan niet meer is dan de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van artikel 40c Ow. De rechtbank heeft ook het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal uit 2004 weggedacht. Volgens de rechtbank was dit plan in feite het startpunt van de ontwikkeling die leidde tot het Inpassingsplan, en moet het daarom als één geheel worden gezien met het laatste plan.

Eliminatie

De Provincie klaagt in cassatie onder andere over de eliminatie van de diverse plannen. De Hoge Raad overweegt echter (rov. 3.3.2.) dat de rechtbank voor het elimineren van het Inpassingsplan de juiste maatstaf heeft toegepast, omdat voorafgaand aan dit plan een concreet plan voor het werk bestond en de bestemmingen zijn vastgesteld om het Inrichtingsplan mogelijk te maken.

De klacht over het elimineren van het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal uit 2004 honoreert de Hoge Raad wel. Het Gebiedsplan is namelijk geen bestemmings- of inpassingsplan, en bevat ook niet reeds het plan voor de werken waarvoor wordt onteigend. Daarom mocht het niet geëlimineerd worden bij de waardebepaling van het onteigende. Dit is in lijn met de meer terughoudende toepassing van eliminatie die de Hoge Raad in zijn arresten van begin dit jaar voorschreef (CB 2016-12 en CB 2016-13).

3.4.3

“Tegen deze achtergrond komen de onderdelen terecht ertegen op dat de rechtbank het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal bij de waardebepaling van het onteigende buiten beschouwing heeft gelaten. Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow moet die bepaling immers terughoudend worden toegepast. Alleen de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, zijn volgens die bepaling, voor zover hier van belang, plannen waarmee geen rekening moet worden gehouden bij de schadeloosstelling (art. 40c onder 3° Ow). Plannen die slechts bestaan in algemene ruimtelijke beleidsvisies – zoals naar de stellingen van de Provincie het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal -, kunnen niet worden aangemerkt als plannen in de zin van die bepaling (vgl. o.m. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.4).”

(Verwachtings)waarde

De Provincie had ook geklaagd over de vaststelling van de rechtbank dat op het onteigende een verwachtingswaarde rustte.  De verwachtingswaarde is de hogere waarde die partijen bereid zijn te betalen voor een perceel waarvan de verwachting (zonder onteigening) zou zijn geweest dat het in de toekomst een lucratieve bestemming zou hebben gekregen. Of en zo ja, in welke mate, rekening dient te worden gehouden met een niet bestaande, te verwachten, bestemming is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Om de waarde van het onteigende te bepalen heeft de rechtbank het Gebiedsplan 2004 weggedacht, waardoor zij voor het bepalen welke verwachtingen op het perceel rustten heeft gekeken naar het Streekplan 1997. Nu de Hoge Raad (in lijn met het betoog van de Provincie) oordeelt dat het Gebiedsplan 2004 niet mocht worden weggedacht, moet het ook worden meegenomen bij het bepalen van de verwachtingswaarde.

Ten slotte werd geklaagd over de overweging in het deskundigenrapport, waarvan de rechtbank de conclusies had overgenomen, dat ermee rekening moest worden gehouden dat verkopers de verkoop van hun grond liever zouden uitstellen tot meer duidelijkheid zou bestaan over eventuele bestemmingsplanwijzigingen. Bij de bepaling van de waarde van het onteigende is echter uitgangspunt de prijs die zou zijn tot stand gekomen bij een koop in het vrije commerciële verkeer tussen een redelijk handelende verkoper en redelijk handelende koper (art. 40b Ow). Zoals A-G J.C. van Oven opmerkt, is een redelijk handelende verkoper een verkoper die op de peildatum wil verkopen. Door toch de nadruk te leggen op deze ‘uitstelwens’ bij de verkopers, lijken de deskundigen op een tegenstrijdige manier om te gaan met dat uitgangspunt van een vrijwillige verkoop.

A-G van Oven meent in zijn conclusie dat deze klachten gegrond zijn. Hij concludeert wel dat, nu door het slagen van de eerste klacht de verwachtingswaarde geheel opnieuw bepaald moet worden, de andere klachten over de waarde niet meer door de Hoge Raad behandeld hoeven te worden (3.20 concl.). De Hoge Raad behandelt deze klachten inderdaad niet, “in verband met de gegrondheid van de onderdelen 1.2-1.4”, en volgt daarmee de conclusie van de A-G.

De waarde van het onteigende zal daarom na verwijzing opnieuw door de feitenrechter moeten worden vastgesteld.

De Provincie werd in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en in feitelijke instanties door Monique Rus-van der Velde.

Share This