HR 8 februari 2013, LJN BY2638 (X/Waterschap Hollandse Delta)

In onteigeningszaken dient de rechtbank ambtshalve een zekerheidstelling te bepalen indien daarom niet is verzocht door de onteigende, nu art. 54i lid 4 Ow imperatief is geformuleerd.

In deze onteigeningszaak heeft het Waterschap Hollandse Delta gevorderd bij vervroeging de onteigening van een perceelsgedeelte uit te spreken, met bepaling van een som als zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling alsmede van de wijze waarop de zekerheidstelling zal plaatsvinden. Het Waterschap heeft daarbij aan een schadeloosstelling aangeboden van € 9.190,–. De te onteigenen partij heeft zich ten aanzien van de verzochte onteigening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank Rotterdam, maar heeft het aanbod met betrekking tot de schadeloosstelling verworpen. De rechtbank heeft in haar vonnis de vervroegde onteigening uitgesproken en op de voet van art. 54i Ow het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op 90% van het aangeboden bedrag van € 9.190,–, te weten € 8.271,–. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu de te onteigenen partij geen zekerheid heeft verlangd.

De rechtbank miskent naar het oordeel van de Hoge Raad dat art. 54i lid 4 Ow imperatief is geformuleerd. Het artikel houdt in dat de rechtbank voor de onteigende partij een som als zekerheid bepaalt voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling. Mede gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel, waarin wordt vermeld dat zekerheidstelling op constitutionele gronden niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt (Kamerstukken II 1970/71, 10 590, nr. 5, blz. 18), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu de onteigende daarom niet heeft verzocht, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad bepaalt vervolgens zelf alsnog een som als zekerheid. Ingevolge art. 54i lid 4 Ow wordt die som ingeval daaromtrent tussen partijen geen overeenstemming is bereikt, bepaald op tenminste het bedrag dat is aangeboden, verminderd met het voorschot. De Hoge Raad bepaalt de som daarom op € 919,– (€ 9.190,– minus € 8.271,–).

De Hoge Raad heeft in het recente verleden al eerder duidelijk gemaakt dat streng wordt toegezien op de toepassing van art. 54i lid 4 Ow, zie HR 23 december 2011, LJN BU4934 (CB 2011-122).

Share This