HR 8 februari 2013, LJN BY4119 (Ballast Nedam/Staat)

(1) Indien de bestemming van het onteigende destijds in het bestemmingsplan is bepaald met het oog op een concrete (toekomstige) invulling van die bestemming, moet dat bestemmingsplan bij de waardebepaling van het onteigende worden weggedacht. Dat geldt ook indien de te elimineren bestemming van waardevermeerderende invloed is. (2) Art. 50 Ow, waarin de vergoeding van proceskosten in onteigeningsprocedures is geregeld, is niet van toepassing op de cassatieprocedure.

Deze onteigening heeft plaatsgevonden ten behoeve van de aanleg van een verzorgingsplaats aan de oostzijde van de Rijksweg A27 tussen het knooppunt Eemnes en de Stichtse Brug. In dit arrest is de hoogte van de schadeloosstelling voor de onteigende aan de orde. Het onteigende had ten tijde van de onteigening de bestemmingen Verkeersdoeleinden en, voor een klein gedeelte, Verkooppunt van motorbrandstoffen. Het onteigende had voor het van kracht worden van het bestemmingsplan een agrarische bestemming. Bij de waardering van het onteigende heeft de rechtbank Utrecht, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2010, LJN BL1634, NJ 2010/631, LJN BL1639, LJN BN0763, LJN BL1647 en LJN BN0761, die bestemmingen op de voet van art. 40c Ow weggedacht.

De Hoge Raad vindt het oordeel van de rechtbank dat genoegzaam is gebleken dat de verzorgingsplaats en het brandstofverkooppunt zijn gerealiseerd overeenkomstig een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan als bedoeld in de arresten van 9 juli 2010 geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en voldoende gemotiveerd. De rechtbank baseerde dit oordeel op een brief van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van 11 november 1993 aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eemnes. In deze brief werd de wenselijkheid gemeld van realisatie op termijn van een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt aan de oostzijde van Rijksweg A27 bij Eemnes, en werd verzocht om in het ontwerp-bestemmingsplan een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt op te nemen conform een uitgewerkt voorontwerp dat reeds in bezit van Burgemeester en Wethouders was.

Het betoog van Ballast Nedam dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet ervoor was gekozen om de door Rijkswaterstaat wenselijk geachte verzorgingsplaats ter plaatse van het onteigende te realiseren en dat de concrete locatiekeuze daarvan aan de gemeenteraad was overgelaten, is door de rechtbank terecht niet gehonoreerd, aldus de Hoge Raad. De rechtbank heeft op begrijpelijke wijze geoordeeld dat deze door Ballast Nedam aangevoerde omstandigheid niet wegneemt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan gekozen was voor de locatie die mede de onteigende gronden omvat als uiteindelijke locatie van de verzorgingsplaats. Dat de keuze van die uiteindelijke locatie ingegeven is door het eigen gedecentraliseerde planologische beleid van de gemeente Eemnes staat volgens de Hoge Raad niet eraan in de weg dat het bestemmingsplan de juridische en planologische onderbouwing en regeling opleverde van het (concrete) plan voor de aanleg van het werk waarvoor later is onteigend.

Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank verder met juistheid geoordeeld dat bij de waardebepaling van het onteigende niet alleen een waardeverminderende, maar ook een eventuele waardevermeerderende invloed van een planbestemming die aan het onteigende gegeven is teneinde een reeds (concreet) bestaand plan voor het werk waarvoor onteigend wordt uitvoerbaar te maken, moet worden geëlimineerd. Art. 40c Ow schrijft voor dat bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening wordt gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door (onder meer) de plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt. Deze in 1981 ingevoerde bepaling brengt een beginsel onder woorden dat reeds geruime tijd in de rechtspraak was aanvaard. Dit beginsel vond naar het oordeel van de Hoge Raad ook toepassing in gevallen waarin het plan voor het werk waarvoor onteigend werd een waardeverhogende invloed had op de grondprijzen ter plaatse van het onteigende (zie reeds HR 19 maart 1909, W 8843, onteigening ten behoeve van de ontginning van de Staatsmijn “Emma”).

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de rechtbank verder kunnen oordelen dat het te vergoeden nadeel dat Ballast Nedam heeft geleden door het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot overtreft moet worden vastgesteld op de waarde van dat gemiste genot en dat daarbij wordt uitgegaan van een rentevergoeding van 3,5% (over de periode vanaf de inschrijving van het onteigeningsvonnis tot de dag van het eindvonnis). De begroting van de waarde van het gemiste genot behelst volgens de Hoge Raad een beoordeling van feitelijke aard. Dat brengt mee dat die waarde niet in alle gevallen behoeft te worden begroot op de (samengesteld te berekenen) wettelijke rente.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de kosten voor het inwinnen van cassatieadvies met betrekking tot het onteigeningsvonnis en de kosten van de cassatieprocedure niet vallen onder art. 50 Ow en niet voor vergoeding in aanmerking komen (zie HR 21 november 2008, LJN BF0415, NJ 2009/303).

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur. Patrick Haccou heeft de Staat bijgestaan in de procedure bij de rechtbank.

Share This