Conclusie P-G 4 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1711

Bij de Hoge Raad is een prejudiciële procedure aanhangig over de vraag, of bij de berekening van kinderalimentatie het kindgebonden budget  en de daarvan deel uitmakende zgn. alleenstaande-ouderkop in mindering moet worden gebracht op de behoefte van het kind, dan wel in aanmerking moet worden genomen bij de draagkracht van de ouder die het budget ontvangt. Een vraag waarover zowel in de juridische als niet-juridische media veel te doen is geweest.

In een zeer kort tijdsbestek heeft waarnemend A-G Hammerstein in deze procedure geconcludeerd. Inmiddels heeft de Hoge Raad de conclusie ook openbaar gemaakt.

Kern van de conclusie is, dat het kindgebonden budget niet in mindering moet worden gebracht op de behoefte van het kind, aangezien dit tot gevolg kan hebben dat door de alimentatieplichtige veel minder of geen alimentatie meer hoeft te worden betaald. De A-G wijkt daarmee af van de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen terzake.

De Hoge Raad heeft aangekondigd zo snel mogelijk uitspraak te zullen doen.

In deze prejudiciële procedure zijn behalve door de vrouw, ook door de vFAS (vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators) schriftelijke opmerkingen ingediend (zie in dit verband artikel 393 lid 2 Rv).

De vFAS wordt in dit geding bijgestaan door Mirella Peletier.

Share This