Selecteer een pagina

HR 29 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:961

Uitgangspunt is dat een ouder om onderzoek kan vragen indien een door of in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling opgesteld onderzoeksrapport voorhanden is. Daarop zijn uitzonderingen.

Achtergrond

In deze zaak gaat het om een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van twee kinderen bij hun vader. De gecertificeerde instelling (GI) vond een onderzoek naar de kinderen wenselijk, maar dat onderzoek had nog niet kunnen plaatsvinden. De moeder had in hoger beroep onder meer verzocht drie door haar genoemde personen te horen als deskundige. Art. 810a lid 2 Rv voorziet voor een ouder in de mogelijkheid om in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen aan de rechter een deskundigenonderzoek (contra-expertise) te verzoeken. Het hof had het verzoek van de moeder echter afgewezen omdat er nog geen deskundigenonderzoek tot stand was gekomen waartegen de moeder dit verzoek zou kunnen indienen. Hiertegen komt de moeder in cassatie op.

Reikwijdte art. 810a lid 2 Rv

De in art. 810a Rv aan een ouder toegekende bevoegdheid om te verzoeken om de benoeming van een deskundige is naar de letter niet beperkt tot tegenonderzoek ten opzichte van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling.

De Hoge Raad wijst er echter op dat uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de wetgever wel zodanig tegenonderzoek voor ogen heeft gehad. Met de invoering van de bepaling werd (alsnog) tegemoetgekomen aan de wens van de Tweede Kamer ouders de mogelijkheid te geven onderzoeksbevindingen van de Raad voor de Kinderbescherming gemotiveerd te weerspreken en aldus recht te doen aan het beginsel van equality of arms. Art. 810a lid 2 Rv moet volgens de Hoge Raad tegen die achtergrond worden uitgelegd. Dat betekent volgens de Hoge Raad concreet:

“Uitgangspunt is dan ook dat een ouder om het in die bepaling bedoelde onderzoek kan vragen indien een door of in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling opgesteld onderzoeksrapport voorhanden is. Een uitleg waarbij een ouder nooit om een onderzoek kan vragen zolang niet een zodanig onderzoeksrapport ter tafel ligt, zou echter in sommige gevallen onvoldoende recht doen aan het beginsel van equality of arms. Zo moet een ouder het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling over de gronden voor en noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel waaraan geen onderzoeksrapport ten grondslag ligt, met toepassing van art. 810a lid 2 Rv kunnen weerspreken indien de desbetreffende instantie verder onderzoek niet noodzakelijk acht of om een andere reden daarvan afziet. Voor een onderzoek op verzoek van een ouder is uit een oogpunt van equality of arms (nog) geen plaats indien de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling onderzoek noodzakelijk acht, maar dat onderzoek nog niet heeft kunnen plaatsvinden of nog loopt. Ook indien de rechter ambtshalve opdracht geeft tot (nader) onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (zie art. 810 lid 1 Rv), is voor een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv nog geen plaats zolang dat onderzoek niet is afgerond.”

In dit licht blijft de beschikking van het hof in stand. Het hof had geconstateerd dat het door de GI en de rechtbank noodzakelijk geachte onderzoek naar de opvoedsituatie bij de moeder als gevolg van een gebrek aan medewerking van haar kant nog steeds niet had kunnen plaatsvinden. Het oordeel van het hof dat de moeder bij die stand van zaken (nog) niet de in art. 810a lid 2 Rv bedoelde bevoegdheid toekomt, is volgens de Hoge Raad dan ook juist.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

Share This