HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3475

Wanneer de verrekening bij uitspraak van de rechter is vastgesteld en één van de echtgenoten daarna ontdekt dat de ander een goed dat tot het te verrekenen vermogen behoort opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen heeft gehouden, dan kan die echtgenoot zich ook in een eventuele appèlprocedure nog beroepen op de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW en de daaruit voortvloeiende vordering in die appèlprocedure instellen. 

Achtergrond van de zaak

De man en de vrouw in deze procedure zijn met elkaar gehuwd, na het sluiten van huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden was een periodiek verrekenbeding opgenomen, waaraan door partijen echter geen uitvoering is gegeven. De afwikkeling daarvan na echtscheiding stond in dit geding centraal.

De vrouw heeft (onder meer) op grond van het bepaalde in art. 1:141 BW verrekening gevorderd van het op de door partijen overeengekomen peildatum voor verrekening aanwezige vermogen. De rechtbank heeft de verrekening vastgesteld. Beide partijen stelden vervolgens hoger beroep in, waarbij de vrouw in de door de man aangebrachte appèlzaak tevens incidenteel hoger beroep instelde. Nadat de memories van grieven en van antwoord in principaal en incidenteel appèl waren genomen, heeft de vrouw in hoger beroep bij akte haar eis vermeerderd. Zij stelde zich op het standpunt dat de man het bestaan van een tweetal verzekeringspolissen opzettelijk voor haar zou hebben verzwegen en dat zij het bestaan van die polissen onlangs bij toeval had ontdekt. Zij vorderde daarom (onder meer) de man ertoe te veroordelen de waarde van de twee verzekeringspolissen op grond van het bepaalde in art. 1:135 lid 3 BW volledig aan haar te vergoeden.

In zijn tweede tussenarrest verwierp het hof het daaropvolgende beroep van de man op de twee-conclusieregel en stelde het hof de man in de gelegenheid op de nieuwe vordering van de vrouw de reageren. Bij eindarrest wees het hof de vordering van de vrouw toe. Het hof heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat uit de door de vrouw ter onderbouwing van haar vordering overgelegde stukken is gebleken dat de man ten tijde van de echtscheiding van partijen reeds kennis had van het bestaan van beide verzekeringspolissen, maar daarvan in de procedure in eerste aanleg geen melding heeft gemaakt noch de polissen in de procedure gebracht, terwijl hij daartoe wel gehouden was. Volgens het hof was dan ook sprake van het opzettelijk verzwijgen, althans verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 1:135 lid 3 BW, zodat de waarde van de polissen niet diende te worden verrekend, maar geheel aan de vrouw diende te worden vergoed.

Cassatie

De man kwam van dit oordeel van het hof in cassatie en stelde zich in cassatie (onder meer) op het standpunt dat de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW buiten toepassing behoort te blijven wanneer tijdens de procedure waarin de verrekening wordt vastgesteld, het verzwegen vermogen alsnog in de verrekening wordt betrokken. De man betoogde dat in dit verband óók de procedure in appèl moet worden verstaan, een en ander mede gelet op de verstrekkende gevolgen van de desbetreffende sanctie.

De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee en overweegt, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting, dat art. 1:135 lid 3 BW – net als het tweede lid van art. 3:194 BW, welke bepaling onder meer van toepassing is op de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap – ertoe strekt het opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van vermogensbestanddelen ten nadele van de andere echtgenoot respectievelijk deelgenoot door het stellen van een sanctie te ontmoedigen. Deze bepalingen bevorderen aldus dat echtgenoten en deelgenoten elkaar de informatie verschaffen die noodzakelijk is om te bereiken dat ieder van hen ontvangt waarop hij uit hoofde van de verrekening, respectievelijk verdeling aanspraak heeft, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt verder dat uit de voorwaarde van art. 1:135 lid 3 BW dat het achterhouden van een vermogensbestanddeel tot gevolg heeft gehad dat de waarde daarvan niet in de verrekening is betrokken, volgt dat pas een beroep kan worden gedaan op de sanctie nádat de verrekening heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld door, zoals in dit geval, het vaststellen van de verrekening door de rechter. In het geval de verrekening wordt vastgesteld door de rechter, ontstaan de door de verrekening in het leven geroepen verplichtingen door die uitspraak en op het moment van die uitspraak, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad wijst erop dat niet is vereist dat de uitspraak waarbij de verrekening is vastgesteld in kracht van gewijsde is gegaan, nu een vonnis in beginsel van rechtswege werkt (vgl. HR 27 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6573). De Hoge Raad vervolgt:

“Hieruit vloeit voort dat, indien een van de echtgenoten na de uitspraak waarbij de verrekening is vastgesteld, ontdekt dat de ander een goed dat tot het te verrekenen vermogen behoort opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden, eerstgenoemde zich in een eventuele appelprocedure op de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW kan beroepen en de daaruit voortvloeiende vordering in die procedure kan instellen. Een andere opvatting zou tot het onwenselijke resultaat leiden dat gedurende de procedure in eerste aanleg de met de sanctie beoogde prikkel ontbreekt.”

De man is in cassatie bijgestaan door Mirella Peletier.

Share This