Selecteer een pagina

HR 20 november 2020 ECLI:NL:HR:2020:1858

Bij een latere erkenning is niet reeds ten tijde van de geboorte van het kind sprake van een familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind, ook niet indien de erkenning naar het recht dat de erkenning beheerst, terugwerkende kracht heeft tot de geboorte.

Achtergrond

Een in Nederland geboren kind, verzoeker tot cassatie, verkreeg bij zijn geboorte in 1999 de Marokkaanse nationaliteit omdat zijn (ongehuwde) moeder van Marokkaanse nationaliteit was. Bij uitspraak van 16 maart 2015 heeft de rechtbank te Tanger (Marokko) het vaderschap van X vastgesteld. Op 8 juli 2016 is door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem een latere vermelding betreffende erkenning, waarin de vader als erkenner van betrokkene is vermeld, aan de geboorteakte van verzoeker toegevoegd.

Uit een overgelegd rapport van 25 oktober 2017 van het Laboratoire de Police Scientifique bleek, na DNA-onderzoek, dat het biologisch vaderschap van de vader ten aanzien van verzoeker niet is uitgesloten. Deze vader heeft vanaf zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat naar de vaststelling van de rechtbank de uitspraak van de Marokkaanse rechter niet inhoudt de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vader overeenkomstig het Marokkaanse recht. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat verzoeker niet op grond van art. 4 lid 1 RWN het Nederlanderschap heeft verkregen.

Waar de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de uitspraak van de Marokkaanse rechter wel gelijkgesteld kan worden met een erkenning op grond van art. 1:203 BW, heeft zij volgens de Hoge Raad terecht onderzocht of aan de eis van art. 4 lid 4 RWN is voldaan (en dat was niet het geval omdat het rapport niet binnen een jaar na de erkenning was gedateerd, vergelijk HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570, besproken in CB 2017-67).

De stelling van verzoeker dat hij door de bevestiging van het biologisch vaderschap waarop een erkenning naar Marokkaans recht is gebaseerd, het Nederlanderschap reeds zou hebben verkregen op grond van art. 3 lid 1 RWN (Nederlanderschap op grond van juridisch vaderschap bij geboorte), berust volgens de Hoge Raad op een onjuiste rechtsopvatting.

Art. 3 lid 1 RWN in verbinding met art. 1 lid 1, aanhef en onder d, RWN heeft betrekking op het geval dat reeds ten tijde van de geboorte van het kind een familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind bestaat. Daarvan is bij een latere erkenning volgens de Hoge Raad geen sprake, ook niet indien de erkenning naar het recht dat de erkenning beheerst, terugwerkende kracht heeft tot de geboorte. Dat geldt ook indien de erkenning naar dat recht, zoals verzoeker stelt met betrekking tot het Marokkaanse recht, plaatsvindt op grond van een bevestiging van de biologische afstamming door de vader (dus: diens verklaring dat die afstamming bestaat). De klacht dat de rechtbank niet op deze stelling heeft beslist kan daarom niet tot cassatie leiden.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

Share This