HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:360

De door de Hoge Raad in HR 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) geformuleerde regel dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, geldt niet slechts ‘in beginsel’. Een zodanige beperking valt in deze prejudiciële beslissing niet te lezen.

Achtergrond: Wet hervorming kindregelingen

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden, als gevolg waarvan het kindgebonden budget werd verhoogd en een zogenoemde alleenstaande ouderkop werd geïntroduceerd. Blijkens de richtlijnen voor kinderalimentatie diende in het kader van de berekening van de kinderalimentatie rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop: de te ontvangen bedragen dienden in mindering te worden gebracht op de behoefte van het kind.

Nadat in de literatuur al veel kritiek was geuit op deze berekeningswijze, heeft de Hoge Raad zich op 9 oktober 2015 in het kader van een prejudiciële vraag van het gerechtshof Den Haag uitgesproken over de wijze waarop de per 1 januari 2015 ingevoerde alleenstaande ouderkop in de alimentatieberekening moet worden verdisconteerd. De Hoge Raad besliste kort gezegd dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt (ECLI:NL:HR:2015:3011, CB 2015-146).

Vervolgens rees de vraag of de door de Hoge Raad geformuleerde regel ook opgaat voor het kindgebonden budget van vóór 2015, dat nog geen alleenstaande ouderkop kende. Op 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2229, CB 2016-154) besliste de Hoge Raad dat inderdaad ook voor het kindgebonden budget zoals dat vóór 2015 bestond, geldt dat dit niet wordt verdisconteerd in de behoeftebepaling van het kind, maar in de draagkrachtbepaling van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. In de onderhavige zaak verduidelijkt de Hoge Raad de regel die hij in zijn uitspraak van 9 oktober 2015 formuleerde.

De onderhavige procedure

In de hier te bespreken zaak heeft de vrouw de rechtbank verzocht de man te veroordelen tot het betalen van kinderalimentatie ten behoeve van hun in 2003 geboren dochter. De rechtbank wees de vordering van de vrouw (gedeeltelijk) toe en stelde vast dat de man een bedrag aan kinderalimentatie moest betalen. In hoger beroep stelde het hof in zijn eindbeschikking een lager bedrag aan kinderalimentatie vast. Volgens het hof leidt de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 er namelijk toe dat het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt “niet in mindering dient te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige maar, inclusief de alleenstaande ouderkop (in beginsel) bij het inkomen van de vrouw moet worden opgeteld”. Vervolgens besliste het hof dat het naar zijn oordeel, gelet op de omstandigheid dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet en bijzondere bijstand ter zake de woonlasten ontvangt, niet redelijk zou zijn dat de vrouw een aandeel zou leveren in de kosten van het kind.

De man komt van dit oordeel van het hof in cassatie en klaagt (onder meer) dat het oordeel van het hof dat het niet redelijk zou zijn dat de vrouw een aandeel levert in de kosten van de minderjarige, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. De Hoge Raad acht deze klacht, net als A-G mr. De Bock, gegrond en zet uiteen dat de door hem in de uitspraak van 9 oktober 2015 geformuleerde regel niet slechts ‘in beginsel’ geldt:

Ingevolge de hiervoor in 3.2.2 genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad dient het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw degene is die het kindgebonden budget ontvangt, zodat het hof deze omstandigheid in aanmerking had moeten nemen bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw. Het hof is (…) ten onrechte ervan uitgegaan dat de door de Hoge Raad in genoemde prejudiciële beslissing neergelegde regel slechts “in beginsel” geldt. Een zodanige beperking valt in de prejudiciële beslissing niet te lezen. Voor zover het oordeel van het hof (…) dat het niet redelijk is dat de vrouw een aandeel levert in de kosten van de minderjarige, berust op zijn uitleg van de prejudiciële beslissing, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover dat oordeel berust op een berekening van de draagkracht van de vrouw, geeft het onvoldoende inzicht in de door het hof gevolgde gedachtegang, nu vaststaat dat de vrouw het kindgebonden budget ontvangt.

De Hoge Raad verduidelijkt met deze uitspraak dus dat de in zijn uitspraak van 9 oktober 2015 neergelegde regel dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, strikt dient te worden uitgelegd.

De Hoge Raad vernietigt de beschikkingen van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This