HR 6 april 2012, LJN BV2510 

Het hof heeft een onbegrijpelijk oordeel gegeven door de Eigenheimzulage – een subsidie die de Duitse overheid uitkeert ter stimulering van het eigen woningbezit – buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de hoogte van kinderalimentatie. Het niet in aanmerking nemen van de Duitse kinderbijslag is niet onbegrijpelijk.

In deze zaak gaat het om de vaststelling van de hoogte van kinderalimentatie. De man en de vrouw hebben tijdens hun relatie in Duitsland gewoond. Na het uiteengaan van partijen is de vrouw met de drie kinderen (waarvan een kind uit een eerdere relatie van de vrouw) in Nederland gaan wonen. De man woont nog steeds in Duitsland.

Het geschil in cassatie heeft zich toegespitst op de vraag of de door partijen in Duitsland genoten Eigenheimzulage (een subsidie die de Duitse overheid uitkeert ter stimulatie van het eigen woningbezit) en de Duitse kinderbijslag bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man moeten worden meegenomen. Het hof heeft beide buiten beschouwing gelaten. De vrouw is daartegen in cassatie opgekomen. Daarbij gaat het met name om de volgende drie punten.

Eigenheimzulage en netto gezinsinkomen

Het eerste punt dat aan de orde komt is de vraag of het hof de Eigenheimzulage terecht buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van het netto gezinsinkomen, dat als basis dient voor de berekening van de behoefte van de kinderen. Het hof heeft daartoe overwogen (rov. 4.5) dat de Eigenheimzulage een fiscaliteit is die vergelijkbaar is met het eigen woningforfait, zodat daarmee – overeenkomstig de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen – geen rekening wordt gehouden.

De Hoge Raad acht deze overweging van het hof onbegrijpelijk (rov. 3.4.2):

“Partijen zijn het erover eens dat de Eigenheimzulage een subsidie is die de Duitse overheid uitkeert ter stimulering van het eigenwoningbezit. Daarom is niet begrijpelijk op grond waarvan het hof deze toelage op één lijn stelt met het eigen woningforfait dat immers een forfaitair op de WOZ-waarde van de woning gebaseerd bedrag is dat woningeigenaren ingevolge art. 3.111 Wet IB 2001 voor de belasting bij hun inkomen moeten optellen.”

Ook als het hof bedoeld zou hebben aan te sluiten bij de Nederlandse regeling van de hypotheekrenteaftrek (die ook strekt ter bevordering van het eigen woningbezit) geeft de beschikking onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof (rov. 3.4.2):

“Indien het hof het oog heeft gehad op paragraaf 3.2 onder a) van het Rapport Alimentatienormen, waarin staat dat geen rekening wordt gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, van premie lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan geeft de bestreden beschikking onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof. Het is namelijk niet duidelijk op grond waarvan de Eigenheimzulage, die geen fiscale aftrek is, moet worden gelijkgesteld met de genoemde fiscale voordelen, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat de Eigenheimzulage strekt ter bevordering van het eigenwoningbezit en dit laatste ook de ratio is van de Nederlandse hypotheekrenteaftrek.”

Duitse kinderbijslag en netto gezinsinkomen

Daarnaast speelt de vraag of de Duitse kinderbijslag moet worden meegerekend bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen. Volgens het Rapport Alimentatienormen wordt bij de berekening van het aandeel van de ouders in de kosten van kinderen de kinderbijslag buiten beschouwing gelaten. Het hof heeft op grond daarvan overwogen (rov. 4.5) dat voor de vaststelling van het netto gezinsinkomen het inkomen van de man niet wordt vermeerderd met de Duitse kinderbijslag. Dit oordeel houdt stand in cassatie; de Hoge Raad overweegt (rov. 3.4.3):

“De vrouw heeft in de feitelijke instanties aangevoerd dat deze bijslag diende als aanvulling op de Nederlandse kinderbijslag om deze naar het Duitse niveau te tillen. Tegen de achtergrond hiervan is (…) niet onbegrijpelijk dat het hof voor de vaststelling van het netto gezinsinkomen als basis voor de berekening van de behoefte van de kinderen, de Duitse kinderbijslag buiten die berekening heeft gehouden, nu volgens het Rapport Alimentatienormen (paragraaf 3.2) ook de Nederlandse kinderbijslag daarbuiten blijft.”

Eigenheimzulage en draagkracht 

Ten slotte ligt de vraag voor of de Eigenheimzulage bij de vaststelling van de draagkracht van de man in aanmerking moet worden genomen. Het hof was van oordeel dat daarmee ook hier geen rekening moest worden gehouden. Daartoe heeft het hof overwogen (rov. 4.13) dat het, overeenkomstig de draagkrachtberekeningen van partijen, rekening heeft gehouden met de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. De Eigenheimzulage heeft het hof daarom buiten beschouwing gelaten. Immers, aldus het hof, “indien men hypotheekrente kan aftrekken kan men geen aanspraak maken op de Eigenheimzulage”.

Naar het oordeel van de Hoge Raad geeft ook deze overweging onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof (rov. 3.4.5):

“Indien het hof hiermee een (wettelijke) regel van Duits recht op het oog heeft die een aanspraak op de Eigenheimzulage uitsluit indien gebruik gemaakt wordt van de fiscale mogelijkheid van aftrek van hypotheekrente, is niet duidelijk op grond waarvan in dit geval de door de man genoten Eigenheimzulage voor de berekening van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven. Zo heeft het hof bijvoorbeeld niet vastgesteld dat de Duitse overheid jegens de man de betaling van de Eigenheimzulage heeft stopgezet en aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de door de man reeds ontvangen toelage.” 

De man is in deze zaak in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This