Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Kinderalimentatie: welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk; draagkracht

CB 2015-186 Geplaatst op 17 december 2015 door

HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479

(1) Bij de bepaling van de behoefte van de kinderen speelt het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk een rol. Het hof kon voor de motivering niet volstaan met de vaststelling dat in de bedragen van de ‘Tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ alle normale, in de desbetreffende inkomstencategorie redelijkerwijs te maken kosten zijn begrepen. (2) Bij het bepalen van draagkracht kan met een incidentele inkomstencomponent als een afvloeiingsregeling rekening worden gehouden.

Een voormalig echtpaar strijd om de vaststelling van de partner- en kinderalimentatie. In navolging van de rechtbank begrootte het hof de kinderalimentatie aan de hand van de ‘Tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen. Het hof overweegt dat in deze tabelbedragen alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen zijn en dat (daarom) slechts in bijzondere omstandigheden de tabelbedragen kunnen worden aangepast. In deze zaak zag het hof geen reden om dergelijke bijzondere omstandigheden aan te nemen.

In cassatie klaagt de vrouw dat het hof voorbij was gegaan aan haar gemotiveerde stelling dat van de norm van de tabel diende te worden afgeweken en dat het hof aan de hand van alle omstandigheden van het geval de werkelijke kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen diende te berekenen. De Hoge Raad stelt het volgende voorop:

“3.3.3 Ouders zijn op de voet van art. 1:404 lid 1 BW verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563).”

In het licht van deze overweging faalt de rechtsklacht van de vrouw, die erop gericht was dat het hof ten onrechte de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met inachtneming van het Rapport alimentatienormen heeft bepaald en voor die kosten een bedrag heeft aangehouden dat is ontleend aan de tabel (r.o. 3.3.4). Wel is de Hoge Raad het met de vrouw eens dat het hof zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd. Nu partijen verdeeld waren over de werkelijke kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, en de vrouw het bedrag van deze kosten had toegelicht, kon het hof niet volstaan met de constatering dat in de tabelbedragen alle normale, in de desbetreffende inkomenscategorie redelijkerwijs te maken kosten zijn begrepen (r.o. 3.3.5). De Hoge Raad vervolgt:

“3.3.5 (…) Daarbij verdient opmerking dat ook bij de bepaling van de behoefte van kinderen het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk een rol speelt (vgl. HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473) en dat het niet voor de hand ligt dat die behoefte bij een netto maandinkomen van € 11.164,– gelijk zou zijn aan de behoefte bij het hoogste destijds in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 5.000,– of meer.”

Ook slaagt de klacht van de vrouw dat het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man ten onrechte niet een afvloeiingsregeling heeft betrokken. Anders dan het hof, oordeelt de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat de man dit bedrag had ontvangen uit hoofde van een afvloeiingsregeling, niet uitsluit dat bij de bepaling van zijn draagkracht met deze incidentele inkomenscomponent rekening wordt gehouden (r.o. 3.4.2).

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag en verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. De Raad volgt daarmee de conclusie van Advocaat-generaal Wuisman.

email print