Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Art. 2:18 BW (omzetting van rechtspersonen) leent zich ook voor toepassing op kerkgenootschappen

CB 2017-94 Geplaatst op 11 mei 2017 door

HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771 (NIISA)

Art. 2:18 BW dat omzetting van rechtspersonen mogelijk maakt, leent zich voor overeenkomstige toepassing op kerkgenootschappen. Overeenkomstige toepassing is alleen geoorloofd als dat is te verenigen met het statuut van het kerkgenootschap of de aard der onderlinge verhoudingen. Bij het toetsen aan de niet-limitatieve voorwaarden van art. 2:18 BW dient de rechter inmenging in geloofskwesties te vermijden. Wanneer voor de omzetting geen rechterlijke machtiging is vereist, rust er een zorgplicht op de notaris die bij de omzetting is betrokken.

Kerkgenootschappen in het BW

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Rechtspersonen), begint de algemene bepalingen met een aantal bijzondere rechtspersonen. In artikel 2:1 BW  over rechtspersonen gaat het over de Staat en lichamen met een overheidstaak, en in artikel 2:2 BW gaat het over kerkgenootschappen. Dit artikel luidt als volgt:

1 Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid.

2 Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.

Achtergrond

De Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid (NIISA) is een zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam (NIHS). NIISA heeft de rechtbank Amsterdam verzocht om zich te kunnen omzetten in een stichting in de zin van artikel 2:285 BW. Op grond van artikel 2:18 BW is het voor rechtspersonen mogelijk zich om te zetten in een andere rechtsvorm. Bij omzetting in een stichting is daarvoor een rechterlijke machtiging vereist. Zoals uit artikel 2:2 lid 2 volgt, geldt de omzettingsbepaling niet voor een kerkgenootschap, maar kan overeenkomstige toepassing wel geoorloofd zijn.

Op grond van artikel 2:18 BW verzocht NIISA om de rechterlijke machtiging om zich te kunnen omzetten in een stichting. De rechtbank Amsterdam stond daarmee voor de vraag of het artikel over omzetting zich wel of niet leent voor overeenkomstige toepassing op kerkgenootschappen. De rechtbank Amsterdam stelde hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Kort gezegd vroeg de rechtbank (a) of het mogelijk is om de omzettingsbepaling toe te passen op kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen; (b) of het daarbij uitmaakt of het gaat om omzetting van een kerkgenootschap in een andere rechtsvorm, of om de spiegelbeeldige situatie; en (c) hoe ver de rechter dient te gaan in zijn onderzoek naar de voorwaarden voor omzetting van artikel 2:18 BW.

Beantwoording prejudiciële vragen over mogelijkheid omzetting

De Hoge Raad memoreert de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en oordeelt dat noch de tekst, noch de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:2 lid 2 BW zich ertegen verzetten dat een kerkgenootschap zich omzet in een andere rechtsvorm. Voorwaarde daarbij is, gelet op de tekst van artikel 2:2 lid 2 BW, dat die omzetting te verenigen is met het statuut van het kerkgenootschap en de aard der onderlinge verhoudingen. Artikel 2:18 BW leent zich dus voor overeenkomstige toepassing op kerkgenootschappen, waarbij het niet uitmaakt of het kerkgenootschap zich in een privaatrechtelijke rechtspersoon omzet, of een privaatrechtelijke rechtspersoon in een kerkgenootschap.

Omvang van de rechterlijke toetsing

Op vraag (c) gaat de Hoge Raad uitgebreid in. Op grond van artikel 2:18 lid 5 BW moet de machtiging tot omzetting worden geweigerd als het omzettingsbesluit of het besluit tot wijziging van de statuten nietig is of wanneer een rechtsvordering tot vernietiging daarvan aanhangig is. De rechtbank moet beoordelen of de vereiste besluiten zijn genomen in overeenstemming met de geldende regels. Bij omzetting van een stichting in een kerkgenootschap moet dit worden beoordeeld aan de hand van de geldende wettelijke vereisten en de statuten van de stichting; bij omzetting van een kerkgenootschap in een stichting gaat het om de regels van het kerkelijk statuut. Artikel 2:18 lid 5 BW voorziet daarnaast in weigering als de belangen van stemgerechtigden die niet hebben ingestemd of van anderen van wie ten minste iemand zich tot de rechter wendt, onvoldoende zijn ontzien. Deze weigeringsgronden zijn echter niet limitatief: de rechter heeft een discretionaire bevoegdheid tot weigering in andere gevallen.

De Hoge Raad formuleert bij het onderzoek naar weigeringsgronden het uitgangspunt dat de rechter inmenging in geloofskwesties dient te vermijden en rekening moet houden met de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap. Als de rechter zich voor verlening van een machtiging tot omzetting moet uitlaten over een geloofskwestie, dient hij de machtiging in beginsel te weigeren. Van inmenging in geloofskwesties zal in het algemeen geen sprake zijn bij de beoordeling van formaliteiten.

Wanneer een stichting wordt omgezet in een kerkgenootschap moet ook lid 6 van artikel 2:18 BW overeenkomstig worden toegepast. Dit artikel geldt voor de omzetting van een stichting in een andere rechtsvorm, en vereist dat uit de statuten blijkt dat het vermogen dat de stichting bij de omzetting had, slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voorafgaand aan de omzetting was voorgeschreven. De Hoge Raad verwijst naar HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN8852, waar hij bepaalde dat deze bepaling moet waarborgen dat het vermogen van een omgezette stichting niet ongeoorloofd wordt uitgekeerd of besteed. Deze beschermingsfunctie rechtvaardigt een inbreuk op artikel 2:2 lid 2 BW dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut.

Zorgplicht notaris bij omzetting kerkgenootschap zonder rechterlijke machtiging

Buiten de gestelde prejudiciële vragen merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Niet voor elke omzetting is op grond van artikel 2:18 BW een rechterlijke machtiging vereist: bij omzetting (van een kerkgenootschap) naar een vereniging is dit bijvoorbeeld niet nodig. In zo’n geval rust op de notaris die bij de omzetting is betrokken een zorgplicht. Hij dient na te gaan of een vereist besluit voor de omzetting is genomen met inachtneming van de geldende regels en of de belangen van andere belanghebbenden voldoende zijn ontzien. De notaris kan daarbij ook bezien of alsnog met overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 lid 4 een rechterlijke machtiging moet worden verzocht.

email print