Selecteer een pagina

HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:806

(i) de afstemmingsregel brengt mee dat de voorzieningenrechter zijn oordeel moet afstemmen op meest recente uitspraak in de bodemprocedure, ongeacht of die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;
(ii) het oordeel dat een te executeren uitspraak berust op een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag, brengt niet steeds mee dat de executant die deze uitspraak ten uitvoer legt, misbruik van bevoegdheid maakt.

In een bodemprocedure tussen partijen heeft de rechtbank een beroep van verweerster op verrekening gepasseerd en verweerster veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 547.386 aan de curator van A. Verweerster heeft uitvoering gegeven aan deze veroordeling. Het gerechtshof heeft het beroep op verrekening alsnog gehonoreerd, het vonnis vernietigd, verweerster veroordeeld tot betaling van een restantschuld – na verrekening – van € 16.509,29 en de curator veroordeeld in de kosten van de procedure. De curator heeft beroep in cassatie tegen dit arrest ingesteld. Het arrest is kort voor het wijzen van het arrest van de Hoge Raad in de kortgedingprocedure, dat in dit cassatieblog wordt besproken, vernietigd.

In kort geding vordert verweerster dat de curator wordt veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag. In reconventie vordert de curator verweerster te verbieden de in de bodemprocedure uitgesproken kostenveroordeling ten uitvoer te leggen.

Het hof heeft zijn oordeel afgestemd op het arrest in de bodemzaak en daarmee de vordering van verweerster toegewezen en de reconventionele vordering van de curator afgewezen. Daarbij overwoog het hof onder meer dat de eventuele constatering dat er sprake is van een juridische misslag niet betekent dat de executie dient te worden geschorst. Van misbruik van recht door verweerster kon volgens het hof slechts sprake zijn indien ook de subsidiaire verweren van verweerster, die in het arrest in de bodemzaak niet aan bod zijn gekomen, als kansloos moeten worden aangemerkt.

Tegen dit arrest heeft de curator cassatieberoep ingesteld. De curator voert ten eerste aan dat uit de afstemmingsregel volgt dat als de door het hof in de bodemprocedure gewezen arresten door de Hoge Raad vernietigd zijn, het oordeel van de kortgedingrechter dient te worden afgestemd op het door de rechtbank in de bodemprocedure gewezen vonnis.

De Hoge Raad maakt korte metten met deze opvatting. Onder verwijzing naar HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 (besproken in CB 2015-86) en HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015  overweegt de Hoge Raad dat de afstemmingsregel inhoudt dat de voorzieningenrechter zijn uitspraak in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Dat op het tijdstip dat het hof in kort geding uitspraak deed, bekend was dat de curator tegen het eindarrest in de bodemzaak cassatieberoep had ingesteld, doet daar niet aan af. Dat de Hoge Raad het tussen- en eindarrest in de bodemprocedure heeft vernietigd, kan ingevolge art. 419 lid 2 Rv niet bij de beoordeling van het cassatieberoep in aanmerking worden genomen.

De curator klaagt ten tweede dat het hof uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het maken van misbruik van (executie)recht, omdat de Ritzen/Hoekstra-maatstaf niet als aanvullende eis stelt dat de executerende partij na vernietiging van het te executeren, op een misslag berustende arrest, “kansloos” zal zijn in pogingen om in verdere, na vernietiging te voeren procedures eenzelfde uitspraak te verkrijgen als is verkregen in het op een misslag berustende arrest.

De Hoge Raad brengt allereerst in herinnering dat hij bij arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, besproken in CB 2020-7, gedeeltelijk is teruggekomen van de Ritzen/Hoekstra-maatstaf. Nu er in cassatie niet geklaagd is over de door het hof gehanteerde maatstaf, moet echter uitgegaan worden van de maatstaf van misbruik van bevoegdheid.

In het arrest Ritzen/Hoekstra is met betrekking tot de maatstaf misbruik van bevoegdheid overwogen dat de rechter in een executiegeschil in kort geding slechts de staking van de tenuitvoerlegging van een uitspraak kan bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat dat onder meer het geval zal kunnen zijn indien de te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust.

Volgens de Hoge Raad volgt hieruit niet dat het oordeel dat de te executeren uitspraak berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, steeds meebrengt dat de executant die deze uitspraak ten uitvoer legt, misbruik van bevoegdheid maakt. Het oordeel van het hof komt erop neer dat, ook als sprake zou zijn van een juridische misslag, deze misslag als zodanig niet meebrengt dat het hof in de bodemprocedure evident een onjuist eindoordeel heeft bereikt, zodat tenuitvoerlegging van de veroordeling geen misbruik van bevoegdheid oplevert. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Volgt verwerping van het beroep.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, luidt de thans geldende maatstaf voor executiekortgedingen in gevallen waarin een rechtsmiddel tegen de uit te voeren veroordeling is ingesteld of nog openstaat, kort gezegd, als volgt. Indien de rechter die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling heeft uitgesproken, een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, dan is – afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag – slechts plaats voor een andere beslissing indien aan de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die bij de door die rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na diens uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Heeft de rechter geen gemotiveerde beslissing gegeven, dan moet de kortgedingrechter deze afweging van belangen alsnog maken. Daarbij kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of de bestreden beslissing berust op een kennelijke misslag, maar moet hij de kans van slagen van een tegen de eerdere beslissing aangewend rechtsmiddel buiten beschouwing laten. Indien een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging echter betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaat geldt de maatstaf zoals vermeld in het arrest Ritzen/Hoekstra wel (nog steeds) onverkort. Voor die zaken zal het arrest van 24 april 2020 dus nadere richting kunnen geven.

Share This