Selecteer een pagina

HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3110 

Beslissingen van een rechter-commissaris als bedoeld in art. 267 Fw en art. 268a Fw vallen onder het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw. Dit rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden. In beginsel geldt dan de termijn die voor het instellen van het rechtsmiddel zou gelden als er geen rechtsmiddelenverbod van toepassing zou zijn. In gevallen waarin Titel II Fw in rechtsmiddelen voorziet, is de termijn acht dagen voor het instellen van hoger beroep, en acht dagen voor het instellen van cassatieberoep. Een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod uit art. 282 Fw wordt beoogd moet dan ook binnen 8 dagen worden ingesteld.

Achtergrond

In deze zaak is aan verzoeker in 2014 surseance van betaling verleend. Op 5 oktober 2016 heeft bij de rechter-commissaris een vergadering van schuldeisers, een raadpleging en een stemming plaatsgevonden over een door verzoeker aan de schuldeisers aangeboden akkoord. Daarbij heeft de rechter-commissaris beslissingen als bedoeld in art. 267 Fw en art. 268a Fw genomen. Tegen deze beslissingen heeft verzoeker beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep op grond art. 282 Fw niet-ontvankelijk verklaard. Art. 282 Fw bepaalt dat tegen beslissingen van de rechter die ingevolge de bepalingen van Titel II Fw zijn gegeven geen hogere voorziening open staat.

Cassatie

Verzoeker is van dit oordeel in cassatie gekomen en stelde zich op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank rechtens onjuist is, omdat in ieder geval tegen een 268a Fw beslissing beroep zou openstaan. De Hoge Raad is echter een ander oordeel toegedaan en overweegt dat nu art. 267 Fw en art. 268a Fw deel uitmaken van Titel II Fw en dit wetsbepalingen zijn waardoor de rechter-commissaris uitdrukkelijk tot beslissingen wordt geroepen het rechtsmidddelverbod uit art. 282 Fw van toepassing is. Van een wettelijke uitzondering is in dit geval geen sprake. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn beroep.

Daarnaast klaagde verzoeker dat de rechter-commissaris geen onpartijdige en onafhankelijke rechter was en dat er geen rechtsgeldige stemming had plaatsgevonden, waardoor er sprake zou zijn van een schending van fundamentele rechten. De Hoge Raad overweegt dat verzoeker hiermee kennelijk een beroep doet op een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod uit art. 282 Fw. De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. In beginsel geldt dan de termijn die voor het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel zou gelden als het rechtsmiddelenverbod zou ontbreken, aldus de Hoge Raad. In een verzoekschriftprocedure geldt een termijn van drie maanden voor het instellen van hoger beroep (art. 358 lid 2 Rv). Voor het instellen van beroep in cassatie geldt eveneens een termijn van drie maanden (art. 426 lid 1 Rv). Art. 426 lid 2 Rv bepaalt echter dat in de gevallen, waarin de wet een kortere termijn voor hoger beroep voorschrijft, ook de termijn voor het beroep in cassatie wordt verkort. De cassatietermijn bedraagt dan het dubbele van de appeltermijn.

In gevallen waarin Titel II Fw in rechtsmiddelen voorziet, wordt echter van bovenstaande regels afgeweken. In die gevallen is de termijn acht dagen voor het instellen van hoger beroep, en acht dagen voor het instellen van cassatieberoep. Naar het oordeel van de Hoge Raad past een termijn van acht dagen bij het spoedeisende karakter van zaken waarin eerst toepassing is gegeven aan surseance, maar vervolgens ingrijpende insolventiemaatregen volgen. Deze termijn is ook van toepassing op het instellen van een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod uit art. 282 Fw wordt beoogd. Tegen deze achtergrond overweegt de Hoge Raad dat het cassatieberoep van verzoeker niet tijdig (binnen 8 dagen) is ingesteld.

Tot slot overweegt de Hoge Raad dat verzoeker geen belang heeft bij een ontvankelijkverklaring op de grond dat onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel, aangezien de zaak eerlijk en onpartijdig is behandeld en er naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. De Hoge Raad verwerpt dan ook het cassatieberoep.

Share This