HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2640

De aard van beslaglegging als middel tot bewaring van bestaande rechten brengt mee dat de derdenbescherming van art. 3:36 BW – waarop ook beslagleggers zich kunnen beroepen – niet tot gevolg heeft dat de beslaglegger hierdoor aanspraak verkrijgt het beslagen goed onbezwaard te executeren. Een eerdere hypotheekhouder kan een per ongeluk doorgehaald hypotheekrecht daarmee aan een latere conservatoir beslaglegger tegenwerpen.

Feiten

Op 30 mei 2007 is ten gunste van FGH een eerste hypotheek gevestigd op een perceel grond van Mewivast B.V.. Na een splitsing van dit perceel is Mewivast onder meer eigenaresse gebleven van het appartementsrecht op de kantoorvilla A-13. Bij een op 1 september 2011 gepasseerde notariële akte houdende afstandsverklaring (hierna: ‘NAA’) is dit hypotheekrecht – per ongeluk – op 2 september 2011 doorgehaald. Op 11 december 2011 heeft de notaris deze fout bij partijakte gerectificeerd en is de hypothecaire inschrijving van 30 mei 2007 weer in het openbare register opgenomen. In de tussenliggende periode heeft Fraanje conservatoir beslag gelegd op appartementsrecht A-13. Na deze beslaglegging heeft FGH op 12 december 2011 een tweede hypotheek op het appartementsrecht A-13 gevestigd. Het door Fraanje gelegde conservatoir beslag is uiteindelijk op 23 december 2011 – dus na de rectificatie – executoriaal geworden.

Feitelijke instanties

In deze procedure vordert FGH in conventie een verklaring voor recht dat het op 30 mei 2007 gevestigde (eerste) hypotheekrecht op A-13 sindsdien onafgebroken daarop heeft gerust en dat FGH dit recht ook aan Fraanje kan tegenwerpen. In conventie vordert Fraanje een verklaring voor recht dat FGH jegens haar géén rechten aan dit eerste hypotheekrecht kan ontlenen, dat Fraanje zich met voorrang boven FGH op appartementsrecht A-13 kan verhalen en dat zij haar beslag – zowel ten aanzien van de eerste als de tweede hypotheek – op grond van art. 505 Rv aan FGH kan tegenwerpen. Art. 505 Rv regelt de blokkerende werking van beslag op een onroerende zaak.

In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of Fraanje als latere beslaglegger tegenover FGH als eerdere hypotheekhouder van het in 2007 gevestigde hypotheekrecht derdenbescherming kan ontlenen aan art. 3:36 BW, nu het hypotheekrecht op het moment van beslaglegging per ongeluk in de openbare registers was doorgehaald. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat het (eerste) hypotheekrecht op A-13 is blijven rusten, omdat FGH geen afstand van dit recht heeft gewild. Volgens het hof kon FGH dit (eerste) hypotheekrecht echter niet aan Fraanje tegenwerpen, omdat zij door art. 3:36 BW wordt beschermd.

Cassatie

Voor zover in cassatie van belang, komt FGH in het principale cassatieberoep op tegen dit oordeel van het hof. Anders dan advocaat-generaal Rank-Berenschot die in haar conclusie van een beperkte lezing van onderdeel 2.2 uitgaat (zie met name: § 3.13-3.15), acht de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond. De Hoge Raad overweegt daartoe dat het hof weliswaar terecht heeft geoordeeld dat ook beslagleggers derdenbescherming aan art. 3:36 BW kunnen ontlenen, maar dat het hof de reikwijdte van deze bepaling heeft miskend (rov. 5.2.1). Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis overweegt de Hoge Raad dat voor toepassing van art. 3:36 BW niet vereist is dat de derde door zijn in vertrouwen op de schijn verrichte handeling nadeel heeft ondervonden of zou ondervinden bij het onthouden van bescherming (rov. 5.2.2). Vervolgens overweegt de Hoge Raad in rov. 5.3.2 dat art. 3:36 BW slechts bescherming verleent met betrekking tot de handeling die de derde in redelijk vertrouwen op de juistheid van zijn veronderstelling heeft verricht. In dit geval is die handeling het leggen van het (conservatoir) beslag door Fraanje in het vertrouwen dat het beslagen appartementsrecht A-13 vrij van hypotheken was. Daarop overweegt de Hoge Raad dat het beslag weliswaar voorwaarde is om te kunnen executeren, maar dat het als zodanig niet het recht schept om tot executie over te gaan. Zodanig recht bestaat slechts als (daartoe een toereikende executoriale titel beslaat en) het beslag daadwerkelijk een vermogensbestanddeel van de schuldenaar heeft getroffen. Het beslag strekt naar zijn aard slechts tot de bewaring van rechten, maar heeft niet tot gevolg dat de beslaglegger daarmee een aanspraak verkrijgt het beslagen goed onbezwaard te executeren. Aldus acht de Hoge Raad de klachten gegrond (rov. 5.3.3).

De Hoge Raad doet de zaak zelf af en verklaart in conventie voor recht dat het (eerste) hypotheekrecht sinds de vestiging in 2007 onafgebroken op A-13 heeft gerust en dat FGH dit recht aan Fraanje kan tegenwerpen. In reconventie verklaart de Hoge Raad voor recht dat Fraanje het beslag op A-13 ten aanzien van het tweede hypotheekrecht op grond van art. 505 Rv aan FGH kon tegenwerpen. De Hoge Raad wijst de vordering van Fraanje ten aanzien van het eerste hypotheekrecht af.

De eerdere hypotheekhouder mag het per ongeluk doorgehaalde hypotheekrecht dus aan de latere conservatoir beslaglegger tegenwerpen. Dit heeft tot gevolg dat de hypotheekhouder bij de executieverkoop de onroerende zaak vrij van beslag kan leveren en zich met voorrang boven de beslaglegger op de opbrengst mag verhalen.

Share This