Selecteer een pagina

HR 12 april 2013, LJN BY8728

De opdrachtgever die een aannemingsovereenkomst heeft opgezegd, en die op grond van art. 7:764 lid 2 BW in beginsel de volledige aanneemsom dient te betalen, heeft de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van eventueel door de aannemer genoten besparingen, die in mindering op de verschuldigde aanneemsom moeten worden gebracht. Op de aannemer rust echter een belangrijke mededelingsplicht ten aanzien van (bestaan en omvang van) dergelijke besparingen.

In verband met de verbouwing van hun woning hebben verweerders in cassatie een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van art. 7:750 BW gesloten met eiseres tot cassatie. Op enig moment hebben verweerders (de opdrachtgevers) deze overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. Art. 7:764 lid 1 BW biedt daartoe op zichzelf de mogelijkheid: ingevolge die bepaling is de opdrachtgever te allen tijde bevoegd de aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. Daar staat echter tegenover dat in geval van zulke opzegging de opdrachtgever, op grond van het tweede lid van art. 7:764 BW, de voor het gehele werk geldende prijs (aanneemsom) zal moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.

In deze zaak heeft de aannemer – onder verwijzing naar laatstgenoemd artikellid – betaling gevorderd van het restant van de overeengekomen aanneemsom. De opdrachtgevers hebben het verweer gevoerd dat uit de opzegging van de aannemingsovereenkomst besparingen zijn voortgevloeid die in mindering op de aanneemsom moeten worden gebracht, aangezien de aannemer haar werknemers op andere klussen heeft kunnen inzetten.

Het hof volgt het “besparingsverweer” ten dele en redeneert daartoe dat het inzetten van werknemers op andere klussen weliswaar in beginsel geen besparing oplevert (dat had immers ook moeten gebeuren als het onderhavige werk was voortgezet), maar dat wél in de rede ligt dat de aannemer, doordat dit werk uitviel, andere klussen eerder heeft kunnen afronden en zodoende eerder aan ander (nieuw) werk heeft kunnen beginnen. In ieder geval, zo vervolgt het hof, is niet gesteld dat de werknemers van de aannemer hebben stilgezeten. Daarom acht het hof aannemelijk dat de aannemer op de door de opzegging vrijgekomen arbeidstijd heeft kunnen besparen. Dat brengt het hof tot de beslissing dat de opdrachtgevers slechts de helft van de niet gewerkte arbeidsuren dienen te vergoeden.

In cassatie klaagt de aannemer (onder meer) dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van relevante besparingen op de opdrachtgevers rustten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en stelt daarbij – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39) – voorop dat de opdrachtgever inderdaad de stelplicht en bewijslast heeft, maar dat op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht rust ten aanzien van (het bestaan en de omvang van) die besparingen. Vervolgens legt de Hoge Raad het oordeel van het hof aldus uit dat de opdrachtgevers aan hun stelplicht hebben voldaan door erop te wijzen dat de aannemer haar werknemers voor andere klussen heeft kunnen inzetten en dat de aannemer deze stelling – gelet op de op haar rustende mededelingsplicht – onvoldoende heeft bestreden. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad onjuist noch onbegrijpelijk.

Een aannemer die zich geconfronteerd ziet met een opzeggende opdrachtgever die stelt dat sprake is van besparingen, zal diens betwisting van dat verweer – gezien genoemde mededelingsplicht – in beginsel dus grondig moeten uitwerken. Het louter betwisten van het bestaan van besparingen zal in veel gevallen onvoldoende zijn.

Share This