HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641

(i) Een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot is ondertekend, kan ook als onderhandse akte kwalificeren, als wordt voldaan aan de vereisten uit art. 156 lid 1 Rv.
(ii )Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast terzake heeft.

In deze zaak staat centraal of sprake was van een onderhandse akte en op wie de bewijslast rust als de echtheid van de tekst van het stuk wordt betwist. Eiseres in cassatie (hierna: eiseres) heeft terugbetaling gevorderd van een bedrag dat zij zou hebben geleend aan verweerder in cassatie (hierna: verweerder). In dat kader heeft eiseres zich op een twee bladzijden tellend stuk beroepen, dat volgens haar een onderhandse akte als bedoeld in art. 156 Rv zou zijn. Verweerder heeft erkend dat hij zijn handtekening onder dit stuk (op de tweede bladzijde) heeft gezet, maar hij betwist de inhoud daarvan. Hij heeft aangevoerd dat de tekst later boven zijn naam en handtekening is gezet en dus een beroep gedaan op de valsheid van het geschrift.

De rechtbank had de vordering afgewezen, omdat het aan verweerder was te stellen en te bewijzen dat de akte vals is en hij de stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gooide zijn oordeel over een andere boeg: het overwoog dat het door eiseres ingeroepen geschrift geen akte is in de zin van art. 156 lid 1 Rv en daarom niet de daaraan verbonden bewijskracht heeft. Het hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat – kort gezegd – de handtekening op de tweede bladzijde ook geldt voor de eerste bladzijde. De eerste bladzijde kan daarom volgens het hof niet als akte worden aangemerkt. Tegen dat oordeel wordt in cassatie opgekomen.

In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan met betrekking tot het begrip ‘akte’ in de zin van art. 156 lid 1 Rv. Die klacht slaagt. De Hoge Raad oordeelt dat art. 156 lid 1 Rv ook op een meer bladzijden tellend stuk ziet dat uitsluitend aan het slot is ondertekend. Nu vaststaat dat de handtekening van de verweerder op de tweede bladzijde staat en dat de tekst van dat geschrift dient tot bewijs (de twee vereisten die gelden onder art. 156 lid 1 Rv), is sprake van een akte als bedoeld in art. 156 lid 1 Rv. (Zie overigens voor een nadere uiteenzetting van het juridisch kader omtrent de kwalificatie van een onderhandse akte, de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, par. 2.4-2.12).

In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat indien de echtheid van de tekst van het geschrift/akte wordt betwist, de bewijslast en het bewijsrisico rust op degene die stelt dat de akte vals of vervalst is. Ook die klacht slaagt. De Hoge Raad overweegt als volgt:

“3.4.3 Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast terzake heeft (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0827, NJ 1993/179). In dit geval rust de bewijslast van de valsheid van de akte dus in beginsel op [verweerder], anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen.”

De Hoge Raad geeft ten slotte nog enkele vingerwijzingen aan het hof na verwijzing. In r.o. 3.4.4 stelt de Hoge Raad voorop dat uit het arrest van 15 januari 1993 volgt dat de rechter op grond van vaststaande feiten (zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept) met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. In het arrest van 14 januari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4278) is hieraan toegevoegd dat de rechter daarbij alle omstandigheden mag betrekken die hij in dit verband relevant acht en dat hij daarbij niet beperkt is tot de omstandigheden of stellingen die de totstandkoming van de tekst betreffen. Aan de rechter komt een grote vrijheid toe bij de waardering van het bewijs.

Het is aan het hof na verwijzing om, mede aan de hand van de stellingen van partijen, overeenkomstig het door de Hoge Raad in r.o. 3.4.4 overwogene te beoordelen dat, behoudens door eiseres te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de akte vals is.

Share This