HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738

Indien de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan over een besluit waarvan beroep bij hem openstaat, is de burgerlijke rechter gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van dat besluit. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit.

Feiten en achtergrond

Verweerster heeft een onderneming geëxploiteerd tot 30 januari 2007. Met ingang van 6 februari 2007 is vervolgens aan verweerster een uitkering toegekend op grond van de toenmalige Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb). Het huwelijk van verweerster is ontbonden op 27 september 2007 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de register van de burgerlijke stand. Op 14 mei 2009 is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op verweerster.

Naar aanleiding van een anonieme tip – dat de ex-echtgenoot nog inwonend was – heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van verweerster. Het college van de gemeente Doesburg (hierna: het college) heeft als gevolg van het onderzoek het recht op uitkering op grond van de Wwb over het tijdvak van 6 februari 2007 tot en met 7 juni 2010 bij besluit van 20 oktober 2010 ingetrokken om de reden dat verweerster een gemeenschappelijke huishouding voerde met de ex-echtgenoot. Na het doorlopen van de bezwaarfase door verweerster en vervolgens beroep te hebben ingesteld bij de rechtbank, heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 maart 2012 de wettelijke schuldsanering van verweerster tussentijds beëindigd. Deze uitspraak is in hoger beroep bekrachtigd.

In deze procedure vordert verweerster een verklaring voor recht dat de Gemeente Doesburg jegens haar aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden door het besluit van 20 oktober 2010 en de beslissing op bezwaar. Hieraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat door de besluiten de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds heeft beëindigd. Verweerster zou een bovenmatige schuld tijdens de schuldsanering hebben laten ontstaan. Volgens verweerster zou zonder de besluiten de schuldsanering zijn geëindigd met verlening van een schone lei.

De Gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat het causaal verband ontbreekt tussen de besluiten en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De Gemeente heeft erop gewezen dat de rechtbank aan haar beëindigingsbeslissing mede ten grondslag heeft gelegd dat verweerster niet heeft voldaan aan haar informatieplicht jegens de bewindvoerder over de veelvuldige aanwezigheid van de ex-echtgenoot in haar woning. Deze grond kan volgens de Gemeente de beslissing ten aanzien van de tussentijdse beëindigingsbeslissing zelfstandig dragen.

Hof

Anders dan de rechtbank heeft het hof de vordering van verweerster toegewezen. Volgens het hof is voldoende aannemelijk dat de rechtbank (in de insolventiezaak) de door de rechtbank (in deze procedure) genoemde gronden niet toereikend waren om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Deze gronden waren immers bekend bij de rechtbank (in de insolventiezaak), maar deze zijn niet ten grondslag gelegd aan de tussentijdse beëindiging. In dat verband heeft de rechtbank (in deze procedure) volgens het hof ten onrechte de vordering afgewezen op de grond dat de tussentijdse beëindigingsbeslissing zou hebben plaatsgevonden wegens de niet naleving door verweerster van haar informatieplicht dat de ex-echtgenoot veelvuldig in de woning aanwezig was. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin is beslist dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Cassatie

In cassatie klaagt de Gemeente onder meer ten eerste dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat verweerster haar informatieplicht niet heeft nageleefd geen grond voor de rechtbank vormde voor de tussentijdse beëindigingsbeslissing. Ten tweede klaagt de Gemeente dat het hof heeft miskend dat de rechter dient uit te gaan van het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat niet is komen vast te staan dat geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en dat daarom niet kan worden aangenomen dat verweerster is tekortgeschoten in haar informatieplicht. Volgens de Gemeente is de burgerlijke rechter niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter.

De Hoge Raad acht de eerste klacht gegrond. De rechtbank heeft immers in haar vonnis aan de tussentijdse beëindigingsbeslissing onder meer ten grondslag gelegd de omstandigheid dat verweerster niet heeft voldaan aan de informatieplicht ( het verblijf van de ex- echtgenoot in de woning) jegens de bewindvoerder. Volgens de Hoge Raad is de overweging van het hof in dat verband onbegrijpelijk.

De tweede klacht acht de Hoge Raad eveneens gegrond. Daartoe overweegt de Hoge Raad als volgt:

“Indien de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan over een besluit waarvan beroep bij hem openstaat, is de burgerlijke rechter gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van dat besluit. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit.”

Volgens de Hoge Raad behoeft in deze procedure dus niet te worden uitgegaan van de inhoudelijke overwegingen die die ten grondslag liggen aan het oordeel van de Centrale Raad van Beroep. De Hoge Raad merkt daarnaast nog op dat het causaal verband ontbreekt tussen de onrechtmatige besluiten van de Gemeente en de beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar een ander hof.

Share This