HR 10 juli 2015 (Eiseres/Seacon Logistics B.V.), ECLI:NL:HR:2015:1844

Abusievelijk is in cassatie de moedervennootschap gedagvaard waarvan de vordering door het hof was afgewezen, in plaats van de dochtervennootschap waarvan de vordering was toegewezen. De Hoge Raad oordeelt dat in dit geval sprake is van een kennelijke vergissing en dat de dochtervennootschap al bij het uitbrengen van de cassatiedagvaarding behoorde te begrijpen dat het cassatieberoep tegen haar was ingesteld. Tegen de niet verschenen dochtervennootschap wordt daarom verstek verleend.

Deze uitspraak van de Hoge Raad betreft een beslissing op verstekverlening in een geval waarin iets mis is gegaan met de partijaanduiding in de cassatiedagvaarding. Wat was het geval?

In deze procedure hebben verschillende eisers vorderingen ingesteld tegen een pensioenadviesbureau (nu eiseres tot cassatie) op de grond dat sprake zou zijn geweest van verkeerde advisering. In hoger beroep is de vordering van één van de eisers – Seacon Logistics B.V. (hierna: Seacon Logistics) toegewezen. De vorderingen van de andere eisers – onder wie Seacon Logistics Group B.V. (Seacon Group), moedervennootschap van Seacon Logistics, wees het hof af.

In de cassatiedagvaarding die eiseres heeft laten uitbrengen is (alleen) Seacon Group vermeld als partij tegen wie het cassatieberoep is gericht. De achtergrond hiervan is, zo blijkt uit de conclusie van A-G Van Peursem, dat de deurwaarder (kennelijk op eigen initiatief en zonder overleg) de naam van de in cassatie te dagvaarden partij heeft gewijzigd van Seacon Logistics in Seacon Group. Na ontdekking van deze fout heeft eiseres vóór de eerstdienende dag in cassatie een herstelexploot laten uitbrengen, waarbij Seacon Logistics is opgeroepen om in de cassatieprocedure te verschijnen.

Seacon Logistics verschijnt echter niet. Wel stelt zich namens Seacon Group een cassatieadvocaat, die concludeert tot verwerping van het tegen Seacon Group gerichte cassatieberoep. Eiseres verzoekt daarop om verstek te verlenen tegen Seacon Logistics. Subsidiair vraagt eiseres om de naam van verweerster in cassatie te wijzingen van Seacon Group in Seacon Logistics. Dit laatste onder verwijzing naar HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881 (Montis/Goossens), CB 2013-208. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat “indien een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, een verschenen partij wijziging [kan] verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden.” Deze overweging uit het arrest Montis/Goossens ziet overigens – naar de letter gelezen – op (herstel van) fouten in de aanduiding van de ‘eigen’ partij.

De Hoge Raad laat in het midden of de herstelmogelijkheid van Montis/Goossens ook kan worden benut in een geval als in deze zaak aan de orde, waarin de in cassatie te dagvaarden wederpartij verkeerd is aangeduid, en herstel (bovendien) feitelijk ertoe zou leiden dat een andere rechtspersoon partij wordt in de cassatieprocedure. De oplossing die de Hoge Raad kiest omzeilt de aan dat laatste (mogelijk) verbonden bezwaren. Hij leest namelijk de partijaanduiding in de cassatiedagvaarding zó dat de vermelding van “Seacon Group” als verweerster in cassatie op een vergissing berust, die ook voor Seacon Logistics van meet af aan duidelijk moet zijn geweest:

“De vordering van Seacon Group is immers afgewezen.
De cassatiemiddelen richten zich dan ook uitsluitend tegen de toewijzing van de vordering van Seacon Logistics. Verder staat vast dat de cassatiedagvaarding is betekend aan de (middellijk) bestuurder van beide vennootschappen, alsook aan hun beider advocaat in feitelijke instanties. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat Seacon Logistics al bij het uitbrengen van de dagvaarding wist of behoorde te begrijpen dat tegen de toewijzing van haar vordering cassatieberoep was ingesteld.”

Seacon Logistics is dus – niettegenstaande de vermelding van Seacon Group in de cassatiedagvaarding – van meet af aan de verwerende partij geweest in deze cassatieprocedure, en tegen haar kan dan ook verstek worden verleend.

Deze oplossing sluit aan bij eerdere rechtspraak waarin de Hoge Raad de “kennelijke vergissing” hanteerde als methode om de partijaanduiding in een processtuk uit te leggen; zie bijvoorbeeld HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7504; HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4122; HR 6 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3043. Een nieuw element in deze zaak is dat – anders dan in eerdere gevallen – hier in de cassatiedagvaarding een vennootschap als verwerende partij was vermeld die in de vorige instantie óók partij in de procedure was. Theoretisch was het dus denkbaar geweest dat eiseres daadwerkelijk had bedoeld om Seacon Group, en niet Seacon Logistics, in cassatie te dagvaarden. Nu het hof de vordering van Seacon Group niet,  en die van Seacon Logistics juist wel had toegewezen en de cassatiemiddelen zich ook uitsluitend tegen dit laatste richtten, vond de Hoge Raad die mogelijkheid kennelijk zó theoretisch dat deze wel als “kennelijke vergissing” kon worden bestempeld, die ook voor Seacon Logistics direct duidelijk moet zijn geweest.

Share This