Selecteer een pagina

HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:344 (Lidl/Achmea)

De beslissing tot heropening van een voorlopig getuigenverhoor in verband met het horen van getuigen in het buitenland door middel van een rogatoire commissie, wordt bestreken door het appelverbod van art. 188 lid 2 Rv. De omstandigheid dat tegen de toe- of afwijzing van een verzoek tot het gelasten van een rogatoire commissie wel een rechtsmiddel openstaat, doet hieraan niet af.

Achtergrond

Artikel 186 Rv regelt in welke gevallen een voorlopig getuigenverhoor kan worden gelast. Tegen de toewijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, is krachtens het bepaalde in het tweede lid van art. 188 Rv geen hogere voorziening toegelaten. Indien desondanks een rechtsmiddel wordt ingesteld, is in beginsel dan ook sprake van niet-ontvankelijkheid, tenzij een beroep wordt gedaan op een doorbrekingsgrond (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU7430). Op grond van art. 189 jo. 176 Rv kan de rechter in het kader van het (voorlopig) getuigenverhoor onder meer bepalen dat, indien een partij wenst een getuige te doen horen die in het buitenland woont, de getuige voor hem dient te verschijnen, of hij kan een buitenlandse autoriteit verzoeken de getuige te horen.

In de onderhavige zaak komt (onder meer) de vraag aan de orde of bij de beoordeling van de appellabiliteit van een beslissing tot heropening van een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van het doen uitvoeren van een rogatoire commissie, (naar analogie) de appellabiliteitsregels van de beslissing tot toewijzing van het getuigenverhoor bij rogatoire commissie dienen te worden toegepast, of dat in dat verband aansluiting dient te worden gezocht bij de regels van het voorlopig getuigenverhoor, waar het appelverbod van art. 188 lid 2 Rv onderdeel van uitmaakt.

De casus

Als gevolg van een brand die in mei 2008 heeft gewoed in een koelhuis van een distributeur was schade ontstaan aan levensmiddelen en emballagemateriaal van Lidl. De betreffende distributeur was verzekerd bij Achmea en zijn verzekeringspolis hield onder meer in dat schade aan zaken van derden alleen voor vergoeding in aanmerking zou komen indien schade niet door een andere verzekering zou zijn gedekt. Nadat de advocaat van Lidl Achmea had bericht dat de betreffende schade van Lidl inderdaad niet door een andere verzekering werd gedekt, werd in september 2008 door Achmea een bedrag van € 2.386.575,– aan Lidl uitbetaald.

Zo’n tweeënhalf jaar na deze uitbetaling ontving Achmea informatie waaruit zou blijken dat Lidl, anders dan de advocaat van Lidl Achmea eerder had bericht, tóch was verzekerd voor de schade als gevolg van de brand in 2008. Onder meer om te kunnen verifiëren welke informatie juist was en om te kunnen vaststellen of zij zou kunnen voldoen aan haar bewijslast in een eventuele procedure tegen Lidl tot terugbetaling van het uitbetaalde bedrag, heeft Achmea de rechtbank in de onderhavige zaak verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Bij beschikking van 18 oktober 2012 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen en een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Het hiertegen door Lidl ingestelde hoger beroep werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard, waarna Achmea een getuige heeft doen horen. Naar aanleiding van deze getuigenverklaring heeft Achmea de rechtbank verzocht bij rogatoire commissie in Duitsland door het bevoegde gerecht twee personen als getuigen te doen horen. Ook dit verzoek van Achmea wees de rechtbank toe, waarop Achmea de gelegenheid kreeg de persoons- en adresgegevens van de getuigen op te geven. In oktober 2013 heeft de rechtbank dit voorlopig getuigenverhoor echter gesloten, nu het er op dat moment naar uit zag dat Achmea de benodigde gegevens niet binnen afzienbare tijd zou kunnen verstrekken.

Op verzoek van Achmea heeft de rechtbank het voorlopig getuigenverhoor op 7 maart 2014 heropend. Op de brief van Lidl die daarop volgde, waarin zij aangaf zich niet te kunnen verenigen met de beslissing tot heropening van het voorlopig getuigenverhoor, berichtte de rechter-commissaris Lidl dat het haar vrijstaat tegen de beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en dat tegen de beslissingen van de rechter-commissaris steeds hoger beroep is toegelaten. In het vervolgens door Lidl tegen de beslissing tot heropening ingestelde hoger beroep werd zij door het hof evenwel niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het hof werd de heropeningsbeslissing van de rechtbank namelijk bestreken door het appelverbod van art. 188 lid 2 Rv, en had Lidl geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond.

Cassatie

Lidl kwam van dit oordeel van het hof in cassatie en klaagt in cassatie onder meer dat het hof heeft miskend dat het de appellabiliteit dat de beschikking van de rechtbank tot heropening van het getuigenverhoor had moeten beoordelen volgens de regels voor de toe- en afwijzing van een verzoek tot het doen horen van getuigen bij rogatoire commissie, nu de heropening van het voorlopig getuigenverhoor in casu slechts heeft plaatsgevonden in het kader van het horen van getuigen in Duitsland door middel van een rogatoire commissie. Overeenkomstig de conclusie van A-G mr. Wesseling-van Gent, oordeelt de Hoge Raad echter anders. Na een uiteenzetting van het juridisch kader, gaat de Hoge Raad in op het doel en de strekking van het voorlopig getuigenverhoor:

“Een voorlopig getuigenverhoor strekt ertoe om i) het mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd, ii) te voorkomen dat bewijs verloren gaat, iii) de verzoekende partij bewijs te verschaffen van feiten en omstandigheden die zij in een eventueel te beginnen of aanhangige procedure dient te bewijzen en iv) de verzoekende partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of deze voort te zetten (HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, NJ 1998/414; HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012/316 [CB 2011-120]). Hoewel een voorlopig getuigenverhoor niet geheel dezelfde strekking heeft als een getuigenverhoor, staat ook een voorlopig getuigenverhoor in dienst van de waarheidsvinding in rechte. In het licht hiervan geldt hetgeen hiervoor in 3.4.4 is overwogen ook voor het voorlopig getuigenverhoor, met dien verstande dat, gezien de doeleinden van het voorlopig getuigenverhoor, ook andere redenen dan de waarheidsvinding kunnen meebrengen dat na de sluiting nog getuigen worden gehoord.”

Aan de hand daarvan komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de regels omtrent het voorlopig getuigenverhoor van toepassing zijn, ongeacht of heropening van het voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht voor het horen van in Nederland dan wel in het buitenland wonende getuigen. De beslissing tot heropening van het voorlopig getuigenverhoor wordt volgens de Hoge Raad dus inderdaad bestreken door het rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 Rv. De omstandigheid dat tegen de toe- of afwijzing van een verzoek tot het gelasten van een rogatoire commissie wel een rechtsmiddel openstaat, doet hieraan volgens de Hoge Raad niet af.

Lidl werd in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en Maarten Jansen en in feitelijke instanties door Pieter Tubbergen.

Share This