HR 14 november 2014, ECLI:NL: HR:2014:3240 (Allianz Belgium N.V./X)

Uit art. 3:316 BW volgt dat het instellen van een eis in rechte slechts dan geen stuitende werking heeft, indien zij niet tot toewijzing leidt en het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd (zonder dat binnen een termijn van zes maanden een nieuwe eis is ingesteld die tot toewijzing leidt). Het “op andere wijze” eindigen van de procedure wordt niet bewerkstelligd door een enkele doorhaling op de rol.

Enkele feiten

Tussen Allianz, eiseres tot cassatie, en GS Verzekeringen B.V. is een geschil ontstaan over de beëindiging, in 1997, van een agentuurovereenkomst. Verweerder was (enig) bestuurder van GS. Allianz verwijt hem dat hij heeft bewerkstelligd dat GS ten onrechte geen premiegelden heeft uitgekeerd aan Allianz. Over het geschil zijn verschillende procedures gevoerd, niet alleen tussen Allianz en GS, maar ook tussen Allianz en verweerder en diens beheersmaatschappij. In 1998 is Allianz een bodemprocedure begonnen tegen verweerder en zijn beheersmaatschappij. Allianz verweet verweerder dat hij het vermogen van GS dusdanig had gereduceerd dat Allianz zich bij een eventueel toewijzend vonnis jegens GS niet meer op het vermogen van GS kon verhalen. Begin 1999 is deze procedure op de rol doorgehaald voordat een vonnis is gewezen.

In 1999 zijn Allianz en GS een arbitrageprocedure overeengekomen. In arbitrale vonnissen tussen 2002 en 2009 is een bedrag van ruim twee miljoen euro aan Allianz toegewezen. GS heeft niet aan deze vonnissen voldaan en biedt ook geen verhaal. Begin 2009 heeft Allianz verweerder persoonlijk aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft zich beroepen op verjaring. De rechtbank heeft dit beroep op verjaring verworpen, het hof heeft dit beroep echter gehonoreerd.

In cassatie

De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof ter zake verjaring op twee punten, dat van de subjectieve bekendheid met de schade (vanaf welk moment de verjaring begint te lopen, art. 3:310 lid 1 BW) en dat van de daad van rechtsvervolging die de verjaring stuit (art. 3:316 BW).

De Hoge Raad acht de motivering van het oordeel van het hof over de subjectieve bekendheid onbegrijpelijk. Hij overweegt in dat verband onder meer dat bekendheid met gedragingen van verweerder die later de oorzaak van de schade blijken te zijn, niet betekent dat de verjaringstermijn een aanvang neemt, nu het erop aankomt of de benadeelde met de schade bekend is geworden. De schade waarvan Allianz vergoeding vordert, bestaat erin dat zij haar vordering op GS niet kan verhalen. Het “wegsluizen” van door GS ten behoeve van Allianz ontvangen premiegelden behoeft echter – ook voor zover het daarbij gaat om substantiële bedragen – niet zonder meer een verhaalstekort bij GS tot gevolg te hebben. Dat Allianz bedacht kon zijn op de mogelijkheid van een verhaalstekort brengt niet mee dat omtrent deze schade voldoende zekerheid bestond.

De Hoge Raad honoreert voorts de rechtsklacht terzake ’s hofs toepassing van art. 3:316 BW. Uit art. 3:316 lid 1 en 2 BW volgt dat het instellen van een eis in rechte slechts dan geen stuitende werking heeft, indien zij niet tot toewijzing leidt en het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd (zonder dat binnen een termijn van zes maanden een nieuwe eis is ingesteld die tot toewijzing leidt). Blijkens de wetsgeschiedenis kan volgens de Hoge Raad bij de zinsnede “of op andere wijze is geëindigd” onder meer worden gedacht aan afstand van instantie of aan het geval van een schikking tussen partijen gevolgd door royement. De Hoge Raad vervolgt:

“Het “op andere wijze” eindigen van de procedure wordt evenwel niet bewerkstelligd door een enkele doorhaling op de rol. Art. 246 lid 2 Rv – dat ook het in dit geval toepasselijke recht van voor 2002 weergeeft – bepaalt immers dat de enkele doorhaling op de rol geen rechtsgevolgen heeft; het voegt daaraan toe dat partijen de rechtsgevolgen bij overeenkomst kunnen bepalen. Uit de memorie van toelichting bij deze bepaling volgt dat met de figuur van de doorhaling een louter administratieve mogelijkheid wordt geboden om een zaak van de rol te krijgen, zonder dat daaraan op zichzelf bepaalde rechtsgevolgen zijn verbonden (…). Dat laatste is, zo volgt uit de bepaling en de memorie van toelichting, aan partijen om te regelen.”

Indien partijen de rechtsgevolgen van het royement niet bij overeenkomst hebben geregeld, staat het royement op zichzelf dus niet eraan in de weg dat de stuiting, aangevangen door het instellen van een eis in rechte, voorshands voor onbepaalde tijd doorloopt. Behalve ingevolge de in de wet voorziene mogelijkheid van een regeling tussen partijen, dient te worden aangenomen dat eveneens geen sprake meer is van stuitende werking wanneer de gerechtigde afstand heeft gedaan van zijn recht om de procedure na royement te hervatten, of wanneer de schuldenaar op grond van de omstandigheden van het geval erop mocht vertrouwen dat de bewuste procedure niet meer hervat zou worden.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This