Selecteer een pagina

HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154

Indien de onderhoudsplichtige in het kader van zijn verzoek om nihilstelling van de alimentatie niet voldoet aan de verplichting van art. 21 Rv, staat het de rechter vrij daaraan de gevolgtrekkingen te verbinden die hij geraden acht. Dat op de draagkracht van een onderhoudsplichtige in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed zijn, doet hieraan niet af.

Achtergrond van de zaak

De man en vrouw in deze procedure zijn gedurende anderhalf jaar met elkaar gehuwd geweest. Uit de relatie die vooraf ging aan hun huwelijk zijn drie kinderen geboren. In de echtscheidingsbeschikking van 26 november 1998 werd bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van fl. 400,– per maand per kind zal moeten voldoen. Bij beschikking van de rechtbank van 2 juli 2003 (die bij beschikking van het hof van 15 april 2004 werd bekrachtigd) werd deze bijdrage per 1 september 2002 op € 365,– per maand per kind gesteld. Een aantal jaren later, in maart 2009, kwamen partijen schriftelijk overeen dat de man per 1 juni 2009 een bijdrage van € 266,67 per maand per kind zou gaan voldoen. Daarna kwamen zij overeen dat de man tijdelijk een bijdrage van € 175,– per maand per kind ten aanzien van twee van hun drie kinderen zou gaan voldoen, hetgeen de man van januari 2012 tot september 2013 heeft gedaan.

In de onderhavige procedure heeft de man de rechtbank ten aanzien van twee van de drie kinderen van partijen verzocht de bijdrage op nihil te stellen op de voet van gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW). Volgens de man zijn de gewijzigde omstandigheden daarin gelegen dat zowel hijzelf als zijn ex-echtgenote inmiddels zijn hertrouwd. Samen met zijn (nieuwe) echtgenote heeft hij twee (nog minderjarige) kinderen gekregen. Verder zijn inkomsten (hij is directeur-grootaandeelhouder van een holding) drastisch zijn verminderd, omdat de activiteiten van de holding sinds 2009 stilliggen. Hij ontvangt daaruit dus geen inkomsten meer en bovendien heeft hij een rekening-courantschuld aan de holding. Verder voert de man aan dat de (nieuwe) echtgenoot van de vrouw eveneens onderhoudsplichtig voor de twee kinderen is geworden.

Bij beschikking van 21 mei 2014 heeft de rechtbank bovengenoemde beschikking van de rechtbank van 2 juli 2003 gewijzigd, in die zin dat de bijdrage van de man in de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 werd bepaald op € 175,– per maand per kind (corresponderend met het tussen partijen overeengekomen tijdelijke bedrag) en vanaf 19 april 2013 op € 140,– per maand per kind. Bij beschikking van 13 januari 2015 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de man onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie, terwijl het op zijn weg lag te onderbouwen dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te betalen. Zo was de man eerst € 1.350,– en daarna € 1.100,– aan huur verschuldigd, maar heeft hij geen (afdoende) verklaring kunnen geven voor het opnieuw aangaan van hoge woonlasten. Bovendien heeft hij volgens het hof nagelaten aan te tonen wat hij concreet heeft ondernomen om zijn financiële situatie te verbeteren en heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gelet op zijn opleiding en werkervaring, niet in staat zou zijn een inkomen uit loondienst te genereren, waarmee hij in ieder geval aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting zou kunnen voldoen. Voorts acht het hof van belang dat de man in 2010, toen hij ook al enige tijd geen salaris meer ontving, een aanzienlijk deel van zijn toen nog bestaande spaartegoed van ongeveer € 500.000,– heeft aangewend om een groot deel van zijn rekening-courantschuld aan zijn holding af te lossen, terwijl hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op dat moment ook daadwerkelijk een noodzaak bestond om die aflossing te doen.

Rol waarheidsplicht bij bepaling van invloed schulden op draagkracht

De man komt van het oordeel van het hof in cassatie. Hij stelt zich (onder meer) op het standpunt dat het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man geen (althans niet expliciet) rekening heeft gehouden met zijn schulden. Volgens de man zijn in beginsel alle schulden van invloed op de draagkracht, ongeacht of op die schulden wordt afgelost. In het geval de rechter aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toekent, dan dient hij voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die daartoe leidt, zo betoogt hij.

A-G mr. Keus acht deze klacht van de man gegrond. Volgens hem hangt dit samen met de omstandigheid dat het hof ervan is uitgegaan dat de man zich inkomsten uit loondienst kan verwerven, maar dat het hof die inkomsten vervolgens niet kwantificeert, anders dan met de slotsom dat die inkomsten de man in elk geval in staat zullen stellen de bijdrage van € 140,– per maand per kind te voldoen:

Als gevolg daarvan is ongewis welk inkomen de man zich naar het oordeel van (de rechtbank en) het hof zal kunnen verwerven, zodat ook niet kan worden gecontroleerd of het door (de rechtbank en) het hof kennelijk beoogde inkomen uit loondienst daadwerkelijk voor de litigieuze bijdrage volstaat, als óók de door de man gestelde schulden (en zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen uit zijn huidige relatie) in aanmerking worden genomen. (…) Naar mijn mening kan niet zonder meer worden aangenomen dat de uitdrukkelijk als tijdelijk bedoelde afspraken van partijen, die waren bedoeld te voorzien in de financiële noodsituatie van de man, aan de wettelijke maatstaven voldeden, in die zin dat daarbij de schulden van de man (en zijn verdere lasten) naar behoren en ten volle in aanmerking zijn genomen. Weliswaar is op het door partijen als tijdelijk overeengekomen bedrag van € 175,- nog een verdere korting toegepast, maar het uiteindelijke bedrag van € 140,- is noch door de rechtbank, noch door het hof gemotiveerd, laat staan gerelateerd aan de door de man gestelde schulden (en zijn verdere lasten). (…)” (Conclusie, par. 4.6).

De Hoge Raad is echter een ander oordeel toegedaan. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak stelt de Hoge Raad in rov. 3.3.2 voorop dat de rechter bij het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige rekening dient te houden met alle uitgaven die voor de bepaling van de draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn. Op die draagkracht zijn in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren (HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:627, CB 2014-60). Volgens de Hoge Raad heeft het hof het voorgaande echter niet miskend. De Hoge Raad wijst op de waarheidsplicht van art. 21 Rv en overweegt dat als partijen niet voldoen aan deze verplichting tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij, het de rechter vrij staat daaraan de gevolgtrekkingen te verbinden die hij geraden acht. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak overweegt de Hoge Raad dat de vraag of partijen aan de verplichting van art. 21 Rv hebben voldaan, berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627). De Hoge Raad oordeelt:

In rov. 4.5 en 4.6 heeft het hof, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie, dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is een inkomen uit loondienst te genereren waarmee hij aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting zou kunnen voldoen, en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een noodzaak bestond om in 2010 een groot gedeelte van de rekening-courantschuld aan zijn onderneming af te lossen met gebruikmaking van zijn spaartegoed. Het stond het hof vrij daaraan in rov. 4.7 de gevolgtrekking te verbinden dat de man vanaf 2013 in staat moet worden geacht zich een zodanig inkomen te verwerven dat hij (klaarblijkelijk: met inachtneming van zijn andere verplichtingen) een bijdrage van € 140,– per maand per kind kan voldoen.”

Invloed eigen inkomsten kinderen op behoefte

Tevens komt de man in cassatie met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat de inkomsten van de kinderen hun behoefte niet noemenswaardig zou hebben verminderd in die zin dat het aandeel van de man daarin lager dan € 140,– per maand per kind zou zijn. Volgens de man is dat oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat de door het hof vastgestelde inkomsten van de kinderen wel degelijk van grote invloed zijn op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen.

Anders dan A-G mr. Keus, acht de Hoge Raad ook deze klacht van de man ongegrond. De Hoge Raad wijst erop dat het hof bij zijn beslissing voorop heeft gesteld dat de man heeft meegedeeld dat hij begrijpt dat de twee kinderen met hun eventuele bijverdiensten thans niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Volgens de Hoge Raad ligt in het oordeel van het hof bovendien besloten dat het hof, naast de ontvangen zorgtoeslag, ook de premie ter dekking waarvan de twee kinderen die toeslag ontvangen, in aanmerking heeft genomen, zodat het oordeel van het hof dat hetgeen de kinderen per saldo van hun inkomsten overhouden, hun behoefte aan een bijdrage niet zodanig vermindert dat het aandeel daarin lager dan € 140,– per maand per kind zou zijn, niet onbegrijpelijk is. Ook deze klacht van de man faalt derhalve.

Aangezien ook de overige klachten van de man niet tot cassatie kunnen leiden, wordt het cassatieberoep door de Hoge Raad verworpen.

Share This