HR 19 mei 1017, ECLI:NL:HR:2017:936

De echtgenoot die een vaststellingsovereenkomst sluit over een door effectenlease- overeenkomsten veroorzaakte restschuld, bindt daarmee alleen zichzelf. De andere echtgenoot behoudt de bevoegdheid de effectenleaseovereenkomsten op grond van art. 1:89 BW te vernietigen. De verjaring van deze vernietigingsvordering wordt gestuit door een collectieve actie, ook indien de vorderingsgerechtigden niet zijn aangesloten bij de rechtspersoon die deze collectieve actie is begonnen. De zesmaandentermijn uit  3:316 lid 2 BW vangt aan op het moment dat de WCAM-overeenkomst naar aanleiding van de Eegaleaseprocedure op grond van art. 7:907 BW  algemeen verbindend is verklaard.

Feiten

De heer X heeft tussen 1998 en 2000 effectenleaseovereenkomsten gesloten met de rechtsvoorgangers van Dexia, die hebben geresulteerd in een restschuld. In 2003 hebben Dexia en de heer X over deze restschuld een vaststellingsovereenkomst – het “Dexia Aanbod” – gesloten. Dexia heeft haar vordering op de heer X gecedeerd aan Värde. De echtgenote van de heer X, mevrouw Y, heeft noch de effectenleaseovereenkomsten, noch het de vaststellingsovereenkomst mede-ondertekend. In juli 2006 heeft Dexia van mevrouw Y een brief ontvangen, waarin zij de effectenleaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigt.

In 2003 is (onder andere) de Stichting Eegalease een collectieve actie ex art. 3:305a BW gestart tegen Dexia, waarbij zij de belangen van echtgenoten en geregistreerd partners van effectenlease-contractanten heeft behartigd. Hangende het hoger beroep in deze zaak is op 23 juni 2005 de “Hoofdovereenkomst” c.q. de Duisenbergregeling tot stand gekomen, waarin de belangenorganisaties onder meer hebben verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van de procedures. Daarbij is bepaald dat, onder de opschortende voorwaarde van inwerkingtreding van de Wet collectieve afwikkeling van massaschade (WCAM) voor 1 november 2005, de belangenorganisaties zich jegens Dexia verbinden om binnen veertien dagen na ontvangst van een daartoe verstrekkend verzoek van Dexia bij het gerechtshof Amsterdam een verzoekschrift in te dienen tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst.

Op 25 augustus 2015 is de Eegaleaseprocedure geroyeerd en op 18 november 2015 is het WCAM-verzoek ingediend. Nadat de overeenkomst op 8 mei 2016 was gewijzigd, is deze gewijzigde overeenkomst op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaard, waarmee zij gold als een collectieve schikking in de zin van de WCAM.

Procedure

In dit geding heeft Värde van de heer X betaling gevorderd op grond van de vaststellingsovereenkomst. Mevrouw Y heeft zich aan de zijde van de heer X gevoegd. Zij heeft onder meer gesteld dat de vordering van Värde moet worden afgewezen, nu zij de effectenleaseovereenkomsten op grond van art. 1:88 BW jo. art. 1:89 BW in juli 2006 buitengerechtelijk zou hebben vernietigd. Värde heeft zich op het standpunt gesteld mevrouw Y de effectenleaseovereenkomsten niet binnen de verjaringstermijn heeft vernietigd.

Anders dan de kantonrechter, heeft het hof geoordeeld dat mevrouw Y de effectenleaseovereenkomsten niet binnen de verjaringstermijn heeft vernietigd. De heer X heeft tegen dit arrest beroep cassatieberoep ingesteld.

Cassatie

 In cassatie zijn, voor zover van belang, twee vragen aan de orde. In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet in het algemeen is te zeggen of een vaststelling de toestemming van de andere echtgenoot behoeft. De Hoge Raad oordeelt dat het onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden:

“(…). Het hof heeft terecht geoordeeld dat de echtgenoot die een vaststellingsovereenkomst sluit daarmee alleen zichzelf bindt en niet de andere echtgenoot die de vaststellingsovereenkomst niet medeondertekent, en dat laatstgenoemde derhalve de bevoegdheid behoudt de effectenleaseovereenkomst(en) te vernietigen (zie ook HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835, NJ 2017/11). Indien laatstgenoemde echtgenoot met succes van die bevoegdheid gebruik maakt, vervallen de uit die overeenkomst(en) voortvloeiende betalingsverplichtingen. Aan het Dexia Aanbod, waarin de uit de effectenleaseovereenkomst(en) voortvloeiende verplichtingen nader worden vastgesteld, ontvalt dan de grond, zodat aan afzonderlijke vernietiging van die overeenkomst geen behoefte bestaat. Indien echter de effectenleaseovereenkomst(en) niet (tijdig) wordt (worden) vernietigd, maar het Dexia Aanbod wel, leidt dat niet tot een ander resultaat, omdat de uit de effectenleaseovereenkomst(en) voortvloeiende betalingsverplichtingen dan in stand blijven.”

In de tweede plaats wordt het oordeel van het hof bestreden dat mevrouw Y de effectenlease-overeenkomsten niet binnen de verjaringstermijn heeft vernietigd. De Hoge Raad acht de betreffende klachten gegrond.

Daartoe verwijst de Hoge Raad in eerste instantie naar de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018, NJ 2016/490 (A/Dexia) ECLI:NL:HR:2015:3018. Daarin is in de kern bepaald dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit door een collectieve actie ex art. 3:305a BW. Zie hierover meer uitgebreid: CB 2015-155.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat uit het A/Dexia-arrest niet voortvloeit op welk moment de stuitende werking van de collectieve actie is geëindigd. Ter beantwoording van deze vraag stelt de Hoge Raad in rov. 4.5.7 voorop dat:

“Ingevolge art. 3:316 lid 2 BW is, indien een ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, de verjaring slechts gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Blijkens de wetsgeschiedenis van art. 3:316 BW dient bij de zinsnede ‘of op andere wijze is geëindigd’ onder meer te worden gedacht aan afstand van instantie of aan het geval van een schikking tussen partijen gevolgd door royement. Het ‘op andere wijze’ eindigen van de procedure wordt evenwel niet bewerkstelligd door een enkele doorhaling op de rol. Volgens art. 246 lid 2 Rv heeft doorhaling op de rol geen rechtsgevolgen en kunnen partijen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen. (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240,, NJ 2015/207 (Allianz Belgium/W.))”

In het licht hiervan rijst de vraag op welk moment de collectieve actie “op andere wijze” is geëindigd. Volgens de Hoge Raad leidt het royement van de Eegaleaseprocedure – in casu op 25 augustus 2005 – niet zonder meer tot de conclusie dat het geding daarmee is geëindigd. Of hiervan sprake is, hangt af van de inhoud en strekking van de Hoofdovereenkomst. De uitleg hiervan moet ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835, NJ 2017/11 (A/Värde) ECLI:NL:HR:2016:2835 naar objectieve maatstaven geschieden.

Ten aanzien van de Eegaleaseprocedure overweegt de Hoge Raad in rov. 4.6.4 als volgt:

“4.6.4 In overeenstemming met deze uitleg moet in een geval als het onderhavige voor de toepassing van art. 3:316 lid 2 BW onder ‘het geding’ worden verstaan de procedure als bedoeld in art. 3:305a BW en de daarop volgende procedure op de voet van art. 7:907 BW tot verbindendverklaring van de uit de eerstgenoemde procedure voortvloeiende WCAM-overeenkomst. Deze uitleg van art. 3:316 lid 2 BW doet recht aan de omstandigheid dat de rechtsgevolgen van de collectieve actie pas met de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst zijn komen vast te staan, zodat de gerechtigden onder die overeenkomst eerst dan hebben kunnen beoordelen of zij daaraan gebonden willen zijn. Voorts brengt ook de door de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming mee dat een gerechtigde niet reeds bij het tot stand komen van een schikking in een collectieve procedure (waarin hij doorgaans zelf geen partij is en waarvan hij geen weet behoeft te hebben), stuitingshandelingen behoeft te verrichten, dan wel tot vernietiging van de door hem gesloten effectenleaseovereenkomst(en) behoeft over te gaan, indien die schikking inhoudt dat een WCAM-verzoek zal worden ingediend. Tot slot strookt dit resultaat ook met de stuiting van de verjaring, respectievelijk schorsing van individuele procedures, die de art. 7:907 lid 5 BW en art. 1015 Rv aan de indiening van een WCAM-verzoek verbinden.”

In de A/Dexia-uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Egaleaseprocedure voor toepassing van art. 3:316 lid 2 BW is geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering. In onderhavig arrest overweegt de Hoge Raad dat deze Eegalease geacht moet worden te zijn geëindigd met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst op 25 januari 2007. Om die reden moet tot behoud van de stuitende werking uiterlijk op 25 juli 2007, zes maanden later, een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld of uitgebracht.

Tot slot overweegt de Hoge Raad dat de stuitende werking van de collectieve actie zich uitstrekt tot de verjaring van alle op de collectieve actie aansluitende individuele vorderingen van belanghebbenden, waaronder ook de vorderingsgerechtigden die zich niet bij de eisende rechtspersoon hebben aangesloten.

De Hoge Raad vernietigt, voor zover van belang, de bestreden arresten en verwijst het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This