HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997

Vermindering van de eis in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan niet besloten liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient plaats te vinden bij conclusie of akte, welke akte ook daarin kan bestaan dat de procesvertegenwoordiger ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis. Indien echter intrekking van vorderingen een vorm van afstand van recht zou inhouden, geldt daarvoor de eis dat sprake moet zijn van een verklaring die op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen is gericht. Daarbij mag in het algemeen worden aangenomen dat een eisende partij die haar eis wijzigt, niet zal wensen dat in het geheel geen eis resteert in het geval de eiswijziging niet wordt toegelaten. De rechter dient in dat geval te onderzoeken of met de wijziging van de vorderingen de bestaande vorderingen onvoorwaardelijk heeft willen prijsgeven.

Feiten en achtergrond

Partijen in deze (erfrechtelijke) procedure zijn kinderen van dezelfde ouders. Vader en moeder waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Vader was eigenaar van een perceel grond, waarop hij een woning heeft gebouwd. Eén van de kinderen, eiser tot cassatie (A), heeft de woning bewoond en betaalde daarvoor een bedrag, ter hoogte van € 2.287,05 per jaar aan de vader, onder vermelding van “huur woning”. De vader is in 2003 overleden. De moeder is in 2012 overleden, op grond waarvan alle kinderen voor een zesde deel gerechtigd zijn tot de nalatenschap van de moeder. Tussen drie van de afstammelingen (verweerders in cassatie) en A is discussie ontstaan over de wijze van verdeling van de woning.

Verweerders hebben A gedagvaard en gevorderd een verklaring voor recht dat A geen economisch eigenaar is van de woning, dat de woning deel uitmaakt van de nalatenschap van de moeder, en dat de kinderen om die reden ieder aanspraak kunnen maken op een zesde gedeelte van de waarde daarvan. A vorderde daarop in reconventie een verklaring voor recht dat hij economisch eigenaar is van de woning, en veroordeling van verweerders tot medewerking aan de juridische levering van de woning om niet. Subsidiair vorderde A een verklaring voor recht dat hij een vordering op de nalatenschap heeft van € 1.460.794, zijnde het door hem in de woning geïnvesteerde bedrag. De rechtbank heeft de vorderingen van verweerders toegewezen en de reconventionele vorderingen van A afgewezen.

Hof

In het door A ingestelde hoger beroep heeft hij bij memorie van grieven zijn vordering gewijzigd, met behoud van de gevorderde verklaring voor recht. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft eiser zijn vordering andermaal gewijzigd, inhoudende onder meer te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst uit 1985 rechtsgeldig is. Verweerders hebben bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.

Het hof overwoog allereerst dat verweerders terecht hebben aangevoerd dat het in de onderhavige zaak gaat om een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij het gaat om een beslissing die ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen dus alle zes erven – in dezelfde zin moet luiden, en dat zij daarom allen in de procedure moeten worden betrokken. Als dit niet is gebeurd, dan dient de rechter ambtshalve de gelegenheid te bieden de niet opgeroepen persoon of personen alsnog op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken. Het hof is hiertoe niet overgegaan omdat de eiswijziging van A – bij pleidooi in appel waarmee verweerders niet hadden ingestemd – strijdig is met de tweeconclusieregel. Het hof overwoog vervolgens geen recht te zullen doen op de bij de zitting gewijzigde primaire en subsidiaire vorderingen. Op de bij memorie van grieven gewijzigde vorderingen kon het hof naar zijn oordeel eveneens geen recht doen, nu deze vorderingen ter zitting zijn ingetrokken.

Het hof kwam tot de slotsom dat van de kant van eiser geen vorderingen meer resteren die voor beoordeling en aanmerking komen. De ingetrokken reconventionele vordering ten aanzien van de toedeling van de woning betrof het spiegelbeeld van de toegewezen vorderingen in conventie, zodat met het intrekken van deze vordering in reconventie de toewijzing van de daar tegenover staande vordering in conventie in stand zou blijven. Net als de rechtbank heeft het hof de vordering van verweerders toegewezen.

Cassatie

De Hoge Raad acht de eerste klacht van eiser gegrond. Kern van het betoog van die klacht was dat het hof had miskend dat ‘intrekking van een vordering’, hetgeen in beginsel is op te vatten als een vermindering van de eis, als bedoeld in art. 129 Rv, tot nihil, in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging niet besloten kan liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie. De intrekking dient immers plaats te vinden bij conclusie of bij akte, welke akte ook daarin kan bestaan dat de procesvertegenwoordiger ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis. De Hoge Raad neemt in aanmerking dat het hof niet heeft vastgesteld dat de advocaat van eiser bij conclusie of schriftelijke akte de eis heeft verminderd dan wel ter terechtzitting mondeling een akteverzoek van die strekking heeft gedaan, en dat evenmin blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting.

Evenzo acht de Hoge Raad de tweede klacht gegrond dat het hof heeft nagelaten te onderzoek of eiser met de wijziging van zijn vorderingen de bestaande vorderingen onvoorwaardelijk heeft willen prijsgeven. De Hoge Raad overweegt in dat verband dat de door het hof bedoelde intrekking van de vordering een vorm van afstand van recht zou inhouden. Daarvoor geldt de eis dat sprake moet zijn van een verklaring die op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen is gericht. Daarbij mag worden aangenomen dat een eisende partij die haar eis wijzigt, niet zal wensen dat in het geheel geen eis resteert in het geval de eiswijziging niet wordt toegelaten, aldus het college.

Tot slot slaagt ook de klacht van eiser die opkomt tegen de beslissing van het hof om eiser niet de gelegenheid te bieden de in hoger beroep niet gedagvaarde mede-erfgenamen op de voet van art. 118 Rv op te roepen. Het hof had aan die beslissing ten grondslag gelegd dat de vorderingen zijn ingetrokken (zodat zijdens eiser geen vorderingen meer resteren) en dat om die reden de mede-erfgenamen niet hoeven te worden opgeroepen. Nu eiser met succes is opgekomen tegen de intrekking resteren er dus nog altijd vorderingen op verweerders.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar een ander hof.

Share This