HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:112 (ING/Verweerders)

Tegen een beschikking van de rechter-commissaris op een verzoek tot verdeling van de executieopbrengst (art. 483 Rv) staat geen hoger beroep open (art. 490d Rv), maar wel cassatieberoep (art. 78 lid 1 RO jo. 398 sub 1 Rv). Het door verweerders op grond van de doorbrekingsgronden ingestelde hoger beroep was daarom niet-ontvankelijk.

Partijen zijn houders van een pandrecht op een bollenkraam. ING is eersterangs pandhouder; verweerders zijn pandhouders in de tweede respectievelijk de derde rang. Omdat de pandgever haar betalingsverplichtingen niet nakwam, is ING tot executoriale verkoop van de bollenkraam overgegaan. Na verrekening van haar vordering en aftrek van de veilingkosten bleef een positief saldo van € 41.822,40 over, dat ING onder zich heeft gehouden. Dit tot ongenoegen van verweerders, die op de voet van art. 481 Rv een verdelingsprocedure startten.

In eerste aanleg heeft de rechter-commissaris de verzochte rangregeling afgewezen op de grond dat ING voldoende aannemelijk had gemaakt dat het surplus van de executieopbrengst inmiddels was “opgesoupeerd” aan proceskosten, zodat er niets meer te verdelen viel.

Deze beslissing van de rechter-commissaris was ingevolge art. 490d Rv niet appellabel. Niettemin stelden verweerders hoger beroep in. Daartoe beriepen zij zich op de zogenaamde doorbrekingsjurisprudentie, die inhoudt dat een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien de rechter (i) buiten het toepassingsgebied van de betreffende regeling is getreden, (ii) deze regeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of (iii) bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (zowel de tweede als de derde doorbrekingsgrond was hier volgens verweerders aan de orde).

Het hof honoreerde het beroep van verweerders op de doorbrekings-jurisprudentie en vernietigde de bestreden beschikking van de rechter-commissaris.

In cassatie verliezen verweerders hun zaak alsnog. ING klaagt dat het hof verweerders niet-ontvankelijk had moeten verklaren (en het beroep op de doorbrekingsjurisprudentie dus niet had mogen honoreren), nu verweerders cassatieberoep hadden kunnen (en moeten) instellen tegen de beschikking van de rechter-commissaris.

Deze klacht slaagt. De Hoge Raad stelt voorop dat beschikkingen van de rechter-commissaris die krachtens afdeling 2.2.3 Rv zijn gegeven (zoals de onderhavige beschikking), ingevolge art. 490d Rv niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Deze bepaling sluit cassatieberoep echter niet uit, zodat op grond van art. 78 lid 1 RO jo. 398 sub 1 Rv cassatieberoep openstaat. Bij die stand van zaken is een hoger beroep, ongeacht een eventueel beroep op de doorbrekingsjurisprudentie, niet-ontvankelijk:

“4.2 (…) In een geval als het onderhavige, waarin geen algeheel rechtsmiddelenverbod geldt, maar slechts het hoger beroep is uitgesloten, staat het de appelrechter niet vrij om, onder verwijzing naar een van de doorbrekingsgronden, een partij ontvankelijk te achten in het door haar ingestelde hoger beroep (vgl. HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, NJ 2013/351 [CB 2012-174]).”

Bij een poging tot doorbreking van het appelverbod is dus oplettendheid geboden: alleen een algeheel rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. De Hoge Raad doet de zaak zelf af, door verweerders alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep.

Share This