HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6999

Een hersteluitspraak (art. 31 Rv) kan niet gebruikt worden om de datum van een rechterlijke uitspraak ‘op te schuiven’ en zo ervoor te zorgen dat de appeltermijn later gaat lopen.

In deze zaak had de rechtbank bij beschikking van 20 juli 2009 de ouders op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming ontheven uit het ouderlijk gezag. De beschikking van de rechtbank werd echter pas op 5 oktober 2009 aan de advocaat van de ouders afgegeven. Bijzonder onwenselijk natuurlijk, want nu de beschikking wel op 20 juli 2009 was gedateerd, zou de appeltermijn al op 20 oktober 2009 verstrijken. Op verzoek van de advocaat van de ouders (en met instemming van de Raad voor de Kinderbescherming) gaf de rechtbank een herstelbeschikking af. Hierin werd de uitspraakdatum van de eerste beschikking “verbeterd” in 5 oktober 2009.

Kan dit? Het hof vond in hoger beroep (ambtshalve) van niet en verklaarde de ouders niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. De Hoge Raad is het – anders dan A-G Huydecoper – met dit oordeel eens.

Kern van de (uitvoerig gemotiveerde) beslissing van de Hoge Raad is dat de uitspraak van een beschikking – dus los van de afgifte van de op schrift gestelde uitspraak – ertoe leidt dat de beschikking tot stand komt, en dus ook dat de appeltermijn gaat lopen. De uitspraakdatum die in de beschikking is vermeld, heeft daarom op zichzelf alleen bewijsrechtelijke betekenis ten aanzien van het tijdstip waarop de uitspraak tot stand is gekomen. Het gaat hier dan om dwingende bewijskracht, omdat de uitspraakdatum is neergelegd in een authentieke akte (immers, een rechterlijke uitspraak).

Omdat appeltermijnen van openbare orde zijn moest het hof in deze zaak ambtshalve onderzoeken op welke datum de beschikking van de rechtbank tot stand was gekomen en dus de appeltermijn was gaan lopen. Daarbij moest het hof er op zichzelf van uitgaan dat de herstelbeschikking dwingend bewees dat de uitspraak van de rechtbank op 5 oktober 2009 tot stand was gekomen (immers, de herstelbeschikking ‘verbeterde’ de uitspraakdatum van 20 juli naar 5 oktober 2009). Echter: ook tegen dwingend bewijs is tegenbewijs mogelijk. Het hof kon daarom uiteindelijk tot de conclusie komen dat die datum niet overeenstemde met de werkelijkheid, en dat de werkelijke uitspraakdatum 20 juli 2009 was. Derhalve was de appeltermijn de dag nadien gaan lopen, en was appel dus te laat ingesteld.

Al met al is de uitkomst van deze zaak wel bijzonder zuur voor de ouders: eerst geeft de rechtbank zijn beschikking pas af tweeënhalve maand nadat deze is gewezen, dan zegt de rechtbank meteen daarna toe dat een herstelbeschikking zal worden gewezen met een latere uitspraakdatum zodat de gewone appeltermijn zal openstaan, en vervolgens wordt het hoger beroep toch niet-ontvankelijk verklaard. Had het ook anders kunnen lopen?

Uit het arrest van de Hoge Raad lijkt te volgen dat in een geval als dit de datum van de uitspraak niet kan worden gecorrigeerd via een hersteluitspraak in de zin van art. 31 Rv. Wel zou de rechter een geheel nieuwe uitspraak kunnen wijzen die de oorspronkelijke uitspraak vervangt (zoals aan de orde in LJN AM2625). Als echter alleen de uitspraakdatum wordt veranderd, levert dat volgens de Hoge Raad niet een geheel nieuwe uitspraak (met ook een nieuwe appeltermijn) op. Hoe onbevredigend ook, de ouders hadden dus toch direct binnen de oorspronkelijke appeltermijn hoger beroep moeten instellen. Pas wanneer een uitspraak zó kort voor het verstrijken van de beroepstermijn aan partijen ter beschikking wordt gesteld dat binnen die termijn zelfs niet een ongemotiveerd beroep kan worden ingesteld, neemt de Hoge Raad een uitzondering aan op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden (zie bijv. LJN AN8489). Daarvan was in deze zaak geen sprake: op het moment dat de uitspraak aan partijen werd verstrekt, waren er nog twee weken van de appeltermijn beschikbaar. Kort, maar niet té kort aldus de Hoge Raad.

Share This