HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2642

Geïntimeerden worden bij verstek veroordeeld ondanks dat zij het verstek hadden gezuiverd. Van die zuivering blijkt niet uit het roljournaal of het arrest, maar het hof verklaart uiteindelijk het verzet tegen de arresten niet-ontvankelijk, omdat door de zuivering het verstek was komen te vervallen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof in dit bijzondere geval het verzet toch ontvankelijk had moeten achten, omdat het recht op toegang tot de appelrechter in de kern is aangetast.

In het hoger beroep van een huurzaak betalen geïntimeerden het griffierecht niet tijdig. Het hof verleent verstek. De advocaat van geïntimeerden betaalt dezelfde dag alsnog het griffierecht, waarmee het verstek wordt gezuiverd (art. 142 Rv). Dat wordt niet goed geadministreerd bij het hof. De zuivering wordt niet genoteerd in het roljournaal en het hof stelt geïntimeerden ook niet in staat om proceshandelingen te verrichten. Het hof wijst vervolgens de tussenarresten en het eindarrest bij verstek. De advocaat die het verstek had gezuiverd, is inmiddels van het tableau geschrapt en niet meer bij de zaak betrokken. Zijn cliënten wisten niets van de betaling of de zuivering. De nieuwe advocaat van geïntimeerden stelt verzet in. Dan doet het hof ambtshalve onderzoek en stelt het vast dat het verstek al lang gezuiverd was. Geïntimeerden worden daarop niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet, omdat door de zuivering het verstek was komen te vervallen. Ze hadden cassatieberoep moeten instellen, maar dat wisten ze niet (want de arresten waren gewezen alsof het verstek nog voortduurde), en de cassatietermijn was inmiddels verstreken.

Gelukkig voor geïntimeerden – die cassatie instellen tegen de niet-ontvankelijkverklaring – komt de Hoge Raad te hulp. Strikt genomen had het hof gelijk: ook al stond op de arresten dat geïntimeerden niet waren verschenen, en ook al was het hoger beroep als een verstekzaak behandeld, uit de wet vloeide voort dat de betaling van het griffierecht het verstek had gezuiverd. Daarmee waren de arresten alsnog op tegenspraak gewezen, en had cassatie moeten worden ingesteld en geen verzet. Maar: het hof had de zaak steeds behandeld als een zaak op verstek, uit het roljournaal was op geen enkel moment kenbaar dat het verstek was gezuiverd en eisers hebben ernstig nadeel ondervonden door deze apparaatsfout van het hof. Onder die omstandigheden vindt de Hoge Raad dat het hof het niet zo strikt had moeten nemen.  De veroordelingen van geïntimeerden zijn tot stand gekomen met schending van het recht om zich in hoger beroep te verdedigen, en de toegang tot de appelrechter is in de kern aangetast. En dus overweegt de Hoge Raad dat het hof, gelet op art. 6 EVRM, het verzet toch ontvankelijk had moeten achten:

“Onder dergelijke omstandigheden leidt onverkorte toepassing van die regels tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat wordt in dit geval niet anders doordat [eisers] zelf hadden kunnen verzoeken in de gelegenheid te worden gesteld proceshandelingen te verrichten. Daarom had het hof in dit bijzondere geval aanleiding behoren te zien het verzet ontvankelijk te achten, met als gevolg dat de appelinstantie werd heropend, waarbij de verzetdagvaarding heeft te gelden als memorie van antwoord (vgl. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741, NJ 2014/142). In zoverre is de klacht gegrond.”

De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof.

Het arrest van de Hoge Raad sluit aan bij eerdere arresten waarbij formele procedureregels terzijde worden gezet omdat strikte toepassing ervan tot schending van de door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten zou leiden. Zie voor een ander voorbeeld deze bespreking (CB 2014-159) van het arrest waarin de Hoge Raad een verschoonbare appeltermijnoverschrijding aannam na een op tegenspraak gewezen verstekvonnis waar de gedaagde niets van wist.

Share This