Selecteer een pagina

HR 8 februari 2013, LJN BY4889 (Rabohypotheekbank N.V. c.s./X c.s.)

Een notariële akte levert alleen dan een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv op indien deze betrekking heeft op vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding (vgl. HR 26 juni 1992, NJ 1993/449). De (standaard)hypotheekakte die de bank in dit geval heeft gehanteerd voldoet niet aan deze eisen en kan daarom niet als executoriale titel worden gebruikt voor de ‘restschuld’ die na uitwinning van het hypotheekrecht nog bestaat.

Achtergrond

Met de inwerkingtreding op 1 juli 2012 van de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad hebben feitenrechters in civiele zaken de mogelijkheid gekregen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Op grond van art. 392 lid 1 Rv kunnen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad worden gesteld (a) in “massaschade”-zaken, en (b) als de vraag zich in “talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen” voordoet. Al kort na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, bij vonnis van 3 augustus 2012 (LJN BX3391, CB 2012-158), werd de eerste prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd door de voorzieningenrechter te Utrecht.

De vraag heeft betrekking op de uitleg van een hypotheekakte waarbij ten behoeve van Rabobank een hypotheekrecht is gevestigd op de woning van X c.s. Op dezelfde datum waarop de hypotheekakte is verleden, zijn tussen Rabobank en X c.s. bij onderhandse akte ook drie overeenkomsten van geldlening gesloten. Op enig moment is de woning van X c.s. waarop het hypotheekrecht was gevestigd, door Rabobank executoriaal verkocht. De opbrengst van de executoriale verkoop was niet voldoende om de geldleningen volledig af te lossen; er resteerde nog een restschuld van ongeveer € 95.000.

Rabobank heeft vervolgens aan de deurwaarder opdracht gegeven om voor de restschuld executiemaatregelen te treffen ten aanzien de overige goederen van X c.s., met als executoriale titel de hypotheekakte. Op grond van art. 430 Rv lid 1 vormen namelijk (onder andere) de grossen van in Nederland verleden authentieke akten executoriale titels, die dus door de deurwaarders rechtstreeks (en zonder tussenkomst van de rechter) ten uitvoer kunnen worden gelegd. De deurwaarder heeft echter zijn ministerie geweigerd en zich op het standpunt gesteld dat de hypotheekakte slechts een executoriale titel vormt voor de uitwinning van het hypotheekrecht op de woning (die intussen al had plaatsgevonden). Omdat in de hypotheekakte niet tevens een overeenkomst van geldlening is omschreven en de akten van geldlening onderhands zijn opgemaakt, heeft Rabobank volgens de deurwaarder geen executoriale titel voor de restschuld uit de geldlening.

Via de weg van art. 438 lid 4 Rv kwam de zaak bij de voorzieningenrechter te Utrecht terecht. Omdat Rabobank, naar zij bij de voorzieningenrechter aanvoerde, in het verleden veel geldleningen heeft verstrekt onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als in dit geval was gebeurd, heeft de voorzieningenrechter een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd over de uitleg van de hypotheekakte. De gestelde vraag luidt:

“Levert de grosse van de tussen partijen opgemaakte notariële hypotheekakte tevens een executoriale titel op in de zin van artikel 430 Rv, voor de na uitwinning van het hypotheekrecht overgebleven restantvorderingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening die ten tijde van het verlijden van de hypotheekakte reeds bestonden?”

Prejudiciële procedure bij de Hoge Raad

Nadat de Hoge Raad de prejudiciële vraag in behandeling had genomen (de Hoge Raad kan namelijk, de Procureur-Generaal gehoord hebbende, ook aanstonds afzien van beantwoording van een prejudiciële vraag indien hij meent dat de vraag zich niet leent voor de prejudiciële procedure; zie art. 393 lid 1 en 8 Rv), is de inhoudelijke behandeling van de prejudiciële procedure aangevangen. Die behandeling verloopt grotendeels op vergelijkbare wijze als een gewone cassatieprocedure, met als bijzonderheid dat ook is voorzien in een rol voor derden. Op grond van art. 393 lid 2 Rv kan de Hoge Raad ook anderen dan partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijke opmerkingen in te dienen. In dit geval is – desgevraagd – de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG), als organisatie die de gehele beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders vertegenwoordigt, door de Hoge Raad hiertoe in de gelegenheid gesteld.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad begint zijn uitspraak met een algemene vooropstelling over de beantwoording van prejudiciële vragen, die met name betrekking heeft op de manier waarop de Hoge Raad in een prejudiciële procedure met de feiten zal omgaan. Prejudiciële vragen kunnen namelijk worden gesteld voordat de relevante feiten definitief zijn vastgesteld, en daarnaast kunnen zoals gezegd ook anderen dan partijen opmerkingen indienen in de procedure. Dit heeft volgens de Hoge Raad tot gevolg:

“dat de Hoge Raad niet is gebonden aan de feiten die zijn vastgesteld door de rechter die de vraag heeft gesteld, al zal hij in beginsel wel van die feiten uitgaan. Aan de Hoge Raad komt derhalve in een prejudiciële procedure – met name waar het vragen betreft die tot gemengde beslissingen leiden – een grotere beoordelingsvrijheid toe dan in cassatie. Opmerking verdient voorts dat indien in het verdere verloop van de procedure blijkt dat de feiten anders zijn dan waarvan de Hoge Raad bij de beantwoording van de prejudiciële vraag is uitgegaan, de Hoge Raad in een daaropvolgende cassatieprocedure niet aan zijn antwoord is gebonden. (Kamerstukken II 2010 – 2011, 32 612, nr. 3, p. 7 – 10).”

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de gestelde vraag stelt de Hoge Raad vast dat het hierbij in wezen gaat om de interpretatie van een al wat ouder arrest van de Hoge Raad, te weten HR 26 juni 1992, LJN ZC0646, NJ 1993/449 (Rabobank/Visser). In dat arrest had de Hoge Raad – in een iets andere feitelijke context – de volgende maatstaf geformuleerd voor de vraag of een authentieke akte een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv oplevert:

“Aan de grosse van een authentieke akte komt slechts executoriale kracht toe met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. In geval de akte wel betrekking heeft op één of meer vorderingen, die aan de in de vorige alinea bedoelde vereisten voldoen, maar niet de grootte van het verschuldigd bedrag vermeldt, is de grosse van de akte niettemin voor tenuitvoerlegging vatbaar, wanneer deze de weg aangeeft langs welke op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door de schuldenaar. (…)”

Volgens deze maatstaf is dus voor executoriale kracht vereist dat de betrokken vordering (dan wel de rechtsverhouding waaruit deze zal voortvloeien) in de authentieke akte is omschreven.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat hij geen aanleiding ziet om thans anders te oordelen dan in het arrest Rabobank/Visser. Daarbij wijst hij onder meer op de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan de kwalificatie als executoriale titel in de zin van art. 430 Rv: een akte kan in dat geval zonder rechterlijke tussenkomst door de schuldeiser ten uitvoer worden gelegd met behulp van dwangmiddelen (executie door de deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm).

In dit geval was in de hypotheekakte slechts vermeld dat bij die akte een hypotheekrecht werd gevestigd tot zekerheid van de betaling van al hetgeen Rabobank van X c.s. te vorderen heeft of mocht hebben “uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook.” De overeenkomsten van geldlening tussen Rabobank en X c.s. waren niet in de hypotheekakte zelf neergelegd (maar in afzonderlijke onderhandse akten), en ook de vordering uit geldlening was in die akte niet omschreven. In het licht van de maatstaf uit Rabobank/Visser acht de Hoge Raad dit onvoldoende:

“Uit de onderhavige akte zelf blijkt niet van het bestaan van enige concrete vordering of enige concrete rechtsverhouding waaruit een vordering kan voortvloeien. De akte voldoet aldus niet aan de eis dat de te executeren vordering daarin met voldoende bepaaldheid is omschreven. De in de akte opgenomen boekenclausule brengt hierin geen verandering, nu die evenmin het bestaan van een concrete vordering in de akte vastlegt, maar het bewijs van het bestaan daarvan afhankelijk maakt van een buiten de akte gelegen bron.”

De Hoge Raad beantwoordt daarom de prejudiciële vraag van de voorzieningenrechter ontkennend: de (standaard)hypotheekakte die in deze zaak aan de orde is vormt geen executoriale titel voor de restschuld die na de uitwinning van het hypotheekrecht door de bank is overgebleven. Dit oordeel van de Hoge Raad sluit goed aan bij de praktijk tot dusver, waarin deurwaarders (en ook voorzieningenrechters) al eerder hadden geweigerd dit soort hypotheekakten te erkennen als executoriale titel voor een restschuld. De uitspraak biedt daarnaast ook duidelijkheid voor andere gevallen waarin gelijkluidende hypotheekakten zijn gebruikt, en daar was het bij de prejudiciële vraagstelling natuurlijk met name om te doen.

De KBvG is in deze prejudiciële procedure bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur.

Share This