HR 25 november 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BU5786, ECLI:NL:HR:2011:BU5778 en ECLI:NL:HR:2011:BU5776

In deze drie zaken heeft de Hoge Raad ten onrechte de reactie van eisers op de conclusie van de Procureur-Generaal (de “Borgersbrief”) buiten beschouwing gelaten. Dit levert een zodanig ernstig processueel verzuim op dat de Hoge Raad de zaken opnieuw beoordeelt in het licht van hetgeen in de Borgersbrieven naar voren is gebracht.

In de cassatieprocedure neemt, nadat het debat van partijen is afgerond, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad zijn conclusie. Hierin adviseert hij de Hoge Raad over de vraag of het cassatieberoep al of niet gegrond is. Op deze conclusie P-G mogen partijen binnen twee weken een (korte) schriftelijke reactie indienen. Deze reactie wordt in de praktijk wel aangeduid als “Borgersbrief”, naar het arrest van 30 oktober 1991, NJ 1992, 73 (Borgers/België) waarin het EHRM besliste dat uit art. 6 EVRM het recht voortvloeit om op de conclusie P-G te reageren. Dit recht is overigens inmiddels gewoon in de wet (art. 44 lid 3 Rv) neergelegd.

In deze drie zaken was de conclusie P-G verzonden op vrijdag 20 mei 2011. De Borgersbrieven werden pas op maandag 6 juni 2011, dus meer dan twee weken later, bij de Hoge Raad ingediend. Te laat? De Hoge Raad meende van wel, en liet daarom in zijn uitspraken in deze zaken (LJN ECLI:NL:HR:2011:BQ7302, ECLI:NL:HR:2011:BQ7311 en ECLI:NL:HR:2011:BQ7308) de Borgersbrief buiten beschouwing. De Hoge Raad had daarbij echter over het hoofd gezien dat vrijdag 3 juni 2011 – de laatste dag van de tweewekentermijn – de dag na Hemelvaartsdag was. Dit is een dag die bij Koninklijk Besluit van 7 juni 2010 (Stcrt. 2010, 9302) is gelijkgesteld met een algemene feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet (ATW). Termijnen waarop de ATW van toepassing is en die op een algemene feestdag (of daarmee gelijkgestelde dag) eindigen, worden op grond van art. 1 ATW verlengd tot de eerstvolgende gewone werkdag. De Borgersbrieven in deze drie zaken waren dus wel degelijk tijdig ingediend.

Gelet hierop restte de Hoge Raad niets anders dan over te gaan tot een herbeoordeling van deze drie zaken. Anders zou in zijn eerdere uitspraken immers het – in art. 6 EVRM neergelegde – recht om op de conclusie P-G te mogen reageren zijn geschonden. De Hoge Raad overweegt dan ook:

“Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van die brief het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Dit levert een zodanig ernstig gebrek op in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 8 juli 2011, dat, nu op dit punt geen rechtsmiddel tegen uitspraken van de Hoge Raad openstaat, dient te worden onderzocht of en in hoeverre deze uitspraak dient te worden ongedaan gemaakt en vervangen door een geheel of gedeeltelijk nieuwe uitspraak. Daarom zal worden overgegaan tot een herbeoordeling van de middelen mede in het licht van de reactie in de genoemde brief van 6 juni 2011 op de conclusie van de Advocaat-Generaal.”

Bij deze herbeoordeling gaat het overigens om een iets andere figuur dan de hersteluitspraak van art. 31 Rv. Zoals de Hoge Raad zelf ook overweegt gaat het in dit geval om herstel van een ernstig processueel verzuim. Bij arrest van 27 mei 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BP8693 (hier besproken op Cassatieblog.nl) besliste de Hoge Raad al dat deze situatie buiten het bereik van art. 31 Rv valt. De herbeoordeling waartoe de Hoge Raad in deze zaken overgaat, lijkt daarom eerder te moeten worden beschouwd als een processuele vorm van “herstel in natura” bij een (dreigende) schending van art. 6 EVRM.

Overigens heeft de herbeoordeling door de Hoge Raad de eisende partijen in geen van de drie zaken kunnen baten: hetgeen in de Borgersbrieven in deze zaken naar voren werd gebracht was kennelijk niet voldoende om te Hoge Raad inhoudelijk tot een ander oordeel te brengen. De drie oorspronkelijke uitspraken van 8 juli 2011 blijven daarom in stand.

Share This