Selecteer een pagina

HR 21 februari 2020 ECLI:NL:HR:2020:311

Over de uitleg van het begrip ‘opzet tot misleiding’ in art. 7:941 lid 5 BW had de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten. De Hoge Raad sluit aan bij (de uitleg van) het begrip opzet tot misleiding in art. 7:930 lid 5 BW. Voor opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW moet daarom worden onderzocht of de verzekerde de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die de verzekeraar zonder de schending van de mededelingsplicht niet zou hebben verstrekt.

 

In deze zaak staat centraal de vraag of de verzekerde zijn informatieplicht na verwezenlijking van het risico als bedoeld in art. 7:941 lid 2 BW heeft nageleefd. Vaststaat dat de voor arbeidsongeschiktheid verzekerde een schending van zijn mededelingsplicht heeft begaan. De verzekerde is na enige tijd meer gaan werken, maar heeft dat niet gemeld bij de verzekeraar (hier: ASR, voorheen: De Amersfoortse). ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat door deze schending van de mededelingsplicht het recht op uitkering is vervallen. In de eerste plaats op grond van art. 7:941 lid 5 BW, omdat de verzekerde het opzet had de verzekeraar te misleiden. In de tweede plaats op grond van art. 7:941 lid 4 BW, omdat ASR in een redelijk belang is geschaad.

Het hof beoordeelt eerst of de verzekerde het opzet had de verzekeraar te misleiden. Volgens het hof ligt voor de hand dat het begrip ‘opzet tot misleiding’ in art. 7:941 lid 5 BW op dezelfde wijze wordt uitgelegd als ditzelfde begrip in art. 7:930 lid 5 BW. Onder opzet van misleiding moet daarom worden verstaan dat een mededelingsplicht is geschonden met de bedoeling om de verzekeraar te bewegen een hogere uitkering te verstrekken. Die hoge lat wordt in deze zaak niet gehaald, aldus het hof. Het hof wijst de vorderingen af, en gaat niet meer in op het beroep van ASR op art. 7:941 lid 4 BW.

ASR richt in cassatie principiële klachten tegen het oordeel van het hof over opzet tot misleiding. ASR betoogt dat onder opzet tot misleiding ook voorwaardelijk opzet behoort te vallen, mede omdat de strenge uitleg van het hof er de facto toe leidt dat een verzekeraar nooit een succesvol beroep kan doen op art. 7:941 lid 5 BW. De feiten en omstandigheden in deze zaak illustreren dat, zo betoogt ASR in enkele motiveringsklachten. ASR wijst ook op de verschillen tussen art. 7:930 lid 5 BW en 7:941 lid 5 BW. Art. 7:930 lid 5 BW heeft betrekking op een mededelingsplicht bij het aangaan van een verzekering, terwijl art. 7:941 lid 5 BW betrekking heeft op de mededelingsplicht in verband met het recht op uitkering nadat de verzekeringsovereenkomst is aangegaan en het verzekerde risico zich heeft verwezenlijkt.

De Hoge Raad ziet deze verschillen niet, althans minder. Hij overweegt in r.o. 3.1.5 dat art. 7:930 lid 5 BW en art. 7:941 lid 5 BW op vergelijkbare wijze regelen, en wat betreft het opzet tot misleiding, in gelijke bewoordingen, in welk geval de meest vergaande sanctie kan worden verbonden aan schending van een mededelingsplicht. Daarbij gaat het om een mededelingsplicht die van belang is voor de beoordeling door de verzekeraar van zijn bereidheid tot dekking van het desbetreffende risico, respectievelijk van zijn gehoudenheid tot uitkering nadat het risico is verwezenlijkt. Er bestaat volgens de Hoge Raad goede grond om aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in art. 7:941 lid 5 BW een betekenis toe te kennen die aansluit bij de betekenis die daaraan toekomt in het kader van art. 7:930 lid 5 BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 7:941 lid 5 BW blijkt, aldus de Hoge Raad, niet dat de wetgever een andere invulling voor ogen heeft gehad.

Het voorgaande brengt volgens de Hoge Raad mee dat bij de beantwoording van de vraag of de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden, dient te worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.

In cassatie had ASR nog geklaagd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire beroep van ASR op art. 7:941 lid 4 BW. Die klacht slaagt. Gegeven de verwerping door het hof van het primaire beroep van ASR op art. 7:941 lid 5 BW, had het hof vervolgens de (meer) subsidiaire verweren, respectievelijk grondslagen, moeten beoordelen (zie r.o. 3.2.3). De Hoge Raad merkt op dat het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat ASR, doordat de verzekerde de uitbreiding van zijn werkzaamheden niet heeft gemeld, op dat moment de mogelijkheid is ontnomen daarnaar onderzoek te doen, met mogelijke consequenties voor haar bewijspositie in een later stadium, en dat ASR daarmee in een redelijk belang is geschaad als bedoeld in art. 7:941 lid 4 BW.

Het hof ‘s-Hertogenbosch zal na verwijzing – met inachtneming van dat oordeel – over de subsidiaire beroepen van ASR moeten beslissen.

Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep is op grond van art. 81 RO verworpen.

ASR is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en de auteur. In feitelijke instanties is ASR bijgestaan door Bart Holthuis van JPR Advocaten.

Share This