HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905 (Slotervaartziekenhuis)

De positie van een verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop een enquêteverzoek betrekking heeft, kan – voor het beoordelen van diens enquêtebevoegdheid – niet zonder meer worden gelijkgesteld met die van een aandeelhouder of certificaathouder. Of een dergelijke gelijkstelling mogelijk is, hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval.

Deze enquêteprocedure is een gevolg van een conflict dat is ontstaan tussen verschillende aandeelhouders van aan het Slotervaartziekhuis gelieerde vennootschappen. Drie – indirecte – aandeelhouders van Slotervaartziekenhuis BV hebben bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (de OK) verzocht dat een onderzoek (enquête) wordt gelast naar het beleid en de gang van zaken bij, onder meer, het Slotervaartziekenhuis. Onderwerp van onderzoek zou onder meer de verwatering van hun (indirecte) aandelenbelang in het Slotervaartziekenhuis moeten zijn. Door een uitgifte van aandelen door het ziekenhuis was dat sterk gereduceerd.

De OK heeft verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot het gelasten van een onderzoek bij het Slotervaartziekenhuis. Daaraan legde de OK ten grondslag dat zij geen (directe) aandeelhouders zijn in het Slotervaartziekenhuis.

Onjuiste aanduiding procespartij  

Verzoekers hebben tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld. Het Slotervaartziekenhuis heeft in de eerste plaats als verweer gevoerd dat één van hen – een minderjarige – niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien niet blijkt dat hij bij het instellen van zijn beroep werd vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Vervolgens heeft de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige verzocht om aangeduid te worden als formele procespartij. Onder verwijzing naar een recent arrest van de Hoge Raad (CB 2013-208) wordt het ontvankelijkheidsverweer van het ziekenhuis verworpen en het verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger toegewezen, aangezien:

“(i) [de minderjarige] in de cassatieprocedure is verschenen en het verzoek berust op de grond dat een vergissing is begaan in zijn aanduiding in de procedure, (ii) Slotervaartziekenhuis niet heeft aangevoerd dat zij zich door toewijzing van het verzoek onredelijk in haar belangen geschaad acht, en (iii) niet aannemelijk is dat de niet in cassatie verschenen verweersters en belanghebbenden door toewijzing van het verzoek onredelijk in hun belangen worden geschaad (…)”.

Enquêtebevoegdheid verzoekers 

Verzoekers klagen in cassatie dat de OK hen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij betogen dat indirecte kapitaalverschaffers van een vennootschap voor de toepassing van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW – waarin de enquêtebevoegdheid voor de NV en BV is neergelegd – steeds kunnen worden gelijkgesteld met een aandeelhouder of certificaathouder van die vennootschap. Zij verwijzen daarbij naar de Chinese Workers-beschikking van de Hoge Raad van 29 maart 2013 (CB 2013-59). Daarin had de Hoge Rad geoordeeld dat de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek weliswaar toekomt aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend (aandeelhouders en certificaathouders), maar dat de strekking van het enquêterecht volgens vaste rechtspraak meebrengt dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft – welk belang in zoverre op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder – voor de toepassing van art. 2:346, aanhef en onder b, BW, dient te worden gelijkgesteld met aandeelhouders of certificaathouders. De door verzoekers aan deze uitspraak gegeven uitleg wordt door de Hoge Raad echter niet gevolgd:

In deze rechtspraak is niet de rechtsregel aanvaard dat de positie van een verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, voor de toepassing van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW, zonder meer kan worden gelijkgesteld met die van een aandeelhouder of certificaathouder. Een dergelijke gelijkstelling is volgens deze rechtspraak slechts mogelijk indien en voor zover op grond van de feiten en omstandigheden van het geval kan worden geoordeeld dat het eigen economisch belang van de verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, van dien aard is dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap. De ondernemingskamer dient derhalve alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken in haar oordeelsvorming ten aanzien van die mogelijke gelijkstelling.”

De OK heeft dus terecht geoordeeld dat het enkele feit dat verzoekers indirect aandeelhouders in het Slotervaartziekenhuis zijn, onvoldoende is om hun economische gerechtigdheid in deze vennootschappen gelijk te stellen met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder.

Kapitaalseis en verwatering

Ten overvloede gaat de Hoge Raad nog in op het verweer van het Slotervaartziekenhuis dat verzoekers hoe dan ook niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard (zodat zij geen belang hebben bij hun cassatieberoep), aangezien zij door de verwaterring van hun aandelenbelang minder aandelen in Slotervaartziekenhuis hielden dan de kapitaalseis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW voorschrijft. De Hoge Raad verwerpt dit verweer:

“De strekking van het enquêterecht brengt mee dat een aandeelhouder of certificaathouder, die als gevolg van een uitgifte van (certificaten van) aandelen niet langer voldoet aan de in art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW bedoelde kapitaalseis, bevoegd is tot het indienen van een verzoek om een enquête in te stellen, mits het verzoek (mede) betrekking heeft op een onderzoek naar die uitgifte en de verzoeker stelt dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij die uitgifte. Het enquêterecht strekt immers mede ter bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid.”

Het Slotervaartziekenhuis is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Sikke Kingma.

Share This