Selecteer een pagina

HR 21 juni 2013, LJN BZ8317 (Erven X/Verzekeraars)

(1) De arresten van het hof in deze zaak zijn op dezelfde dag door dezelfde rechter tussen dezelfde partijen gewezen en beide zaken hangen voldoende met elkaar samen om gezamenlijk door de rechter te worden behandeld en beslist. In een dergelijk geval is het toegestaan om bij één dagvaarding een rechtsmiddel aan te wenden.
(2) Een ontslag van instantie heeft, evenals een verval van instantie, tot gevolg dat de gehele instantie vervalt, inclusief eventuele tussenuitspraken en de daarin vervatte bindende eindbeslissingen. Dat is slechts anders voor zover reeds een (gedeeltelijke) einduitspraak (een deeluitspraak) is gedaan.

Achtergrond

Deze zaak betreft in de kern een vrij overzichtelijke verzekeringskwestie, namelijk de vraag of verzekeraars zijn gehouden de schade te vergoeden die is ontstaan bij een brand in een bedrijfspand. De betrokken verzekeraars hebben uitkering geweigerd met een beroep op “merkelijke schuld” (art. 294 oud WvK) van de verzekerden aan het ontstaan van de brand. Vervolgens zijn in verband hiermee drie procedures gevoerd.

Procedure 1: B BV als lasthebber tegen verzekeraars

De drie verzekerden – in de eerste plaats eiser tot cassatie in de onderhavige procedure (hierna: X) en daarnaast twee BV’s als medeverzekerden – hebben aan een andere BV (in het arrest van de Hoge Raad aangeduid als “B BV”) de last gegeven om de vorderingen van de verzekerden tegen de betrokken verzekeraars op eigen naam, maar voor rekening en risico van de verzekerden in te stellen. B BV heeft hierop een procedure aanhangig gemaakt tegen de verzekeraars, waarin het ging om de vraag of de verzekeraars gehouden waren tot vergoeding van de schade die de verzekerden als gevolg van de brand hadden geleden.

In de procedure van B BV is door de rechtbank op 18 februari 2004 een tussenvonnis gewezen. De rechtbank oordeelde daarin dat de verzekeraars voorshands zijn geslaagd in het – op hen rustende – bewijs van brandstichting door X, met toelating van X tot tegenbewijs tegen dit oordeel. In (tussentijds) hoger beroep is dit oordeel van de rechtbank bekrachtigd en de zaak door het hof terugverwezen naar de rechtbank. Voordat de rechtbank tot een einduitspraak kwam, is B BV echter failliet gegaan. De curator van B BV heeft de procedure niet willen voortzetten, waarna de rechtbank op 13 maart 2006 op het verzoek van de verzekeraars ontslag van instantie tegen hen heeft verleend.

Procedure 2: X tegen verzekeraars

Naast B BV zijn ook de twee medeverzekerde BV’s failliet gegaan. Eén van de curatoren heeft de vorderingen uit de desbetreffende verzekeringsovereenkomst gecedeerd aan X. X is vervolgens (in 2007) een procedure gestart tegen de verzekeraars. Daarin vorderde X verschillende verklaringen voor recht met betrekking tot de verplichting tot uitkering onder de verzekering. In deze procedure heeft de rechtbank alle vorderingen van X afgewezen. In hoger beroep heeft het hof bij tussenarrest van 16 maart 2010 de grieven van X deels gegrond verklaard en X toegelaten tot tegenbewijs tegen de (voorshands bewezen geachte) stelling van de verzekeraars dat hij de brand heeft gesticht.

Procedure 3: verzekeraars tegen X

Op hun beurt hebben de verzekeraars een procedure tegen X aanhangig gemaakt. Aanleiding hiertoe was een kortgedingvonnis uit 2002, waarin de verzekeraars in eerste aanleg waren veroordeeld om aan B BV voorschotten op de schadevergoeding van € 136.000 (ten behoeve van X), respectievelijk € 225.000 (ten behoeve van de andere twee verzekerden) te betalen. Na de vernietiging van het kortgedingvonnis in hoger beroep, heeft X het ontvangen voorschot terugbetaald. De andere twee BV’s waren op dat moment echter al failliet, en hebben het voorschot dus niet terugbetaald. In procedure 3 vorderen de verzekeraars – met als grondslag onrechtmatige daad – dat X wordt veroordeeld om dit voorschot terug te betalen. In deze procedure heeft het hof – eveneens bij tussenarrest van 16 maart 2010 – geoordeeld dat in de procedure materieel dezelfde partijen betrokken zijn als in de eerdere procedure van B BV tegen de verzekeraars. De beslissing in die eerdere procedure dat voorshands, behoudens tegenbewijs, brandstichting is bewezen, heeft volgens het hof in procedure 3 gezag van gewijsde. Daarom slaagt – aldus nog steeds het hof – het beroep van de verzekeraars op onrechtmatig handelen van X, behoudens tegenbewijs door X. Het hof heeft in zijn tussenarrest X tot het leveren van dit tegenbewijs toegelaten.

Instellen cassatieberoep bij één dagvaarding in twee procedures

X heeft tegen de (tussen)arresten van het hof in procedure 2 en procedure 3 cassatieberoep ingesteld. Hij heeft dat gedaan bij één cassatiedagvaarding. A-G Spier stelt daarom in zijn conclusie de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Het is namelijk vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het in het algemeen in strijd is met een goede procesorde om bij één processtuk een rechtsmiddel in te stellen tegen uitspraken die in verschillende procedures zijn gedaan. Op die regel bestaan wel enkele (beperkte) uitzonderingen. In het meest recente arrest over deze materie (HR 12 oktober 2012, LJN BX5801, CB 2012-199) overwoog de Hoge Raad dat een uitzondering aan de orde is in het geval waarin op grond van subjectieve cumulatie, rolvoeging of zaaksvoeging bij één vonnis, arrest of beschikking in alle zaken tegelijk uitspraak wordt gedaan: in dat geval mag een rechtsmiddel tegen die uitspraken bij één processtuk worden ingesteld.

A-G Spier was van oordeel dat het instellen van cassatieberoep bij één dagvaarding in de onderhavige procedure niet geoorloofd was, en dus zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ten eerste was in dit geval geen sprake geweest van een voeging van beide zaken in hoger beroep. Daarnaast was ook de uitspraak van het hof in beide zaken weliswaar op dezelfde dag gedaan maar inhoudelijk niet gelijkluidend, was de context waarin beide zaken waren beslist niet (geheel) dezelfde en waren ook de aangevoerde cassatieklachten in beide zaken niet identiek.

Toch ziet de Hoge Raad in dit alles geen reden voor niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hij wijst erop dat de arresten van het hof op dezelfde dag door dezelfde rechter en tussen dezelfde partijen zijn gewezen, en dat de beide zaken voldoende met elkaar samenhangen om gezamenlijk door de rechter te worden behandeld en beslist (vgl. eerder bijvoorbeeld HR 7 maart 1980, NJ 1980/611 en HR 19 februari 2010, LJN BK8100).

Dit oordeel van de Hoge Raad onderstreept dat de situatie die in HR 12 oktober 2012 aan de orde was – een gezamenlijke behandeling van de verschillende zaken in vorige instantie door subjectieve cumulatie, zaaksvoeging of rolvoeging – niet het enige type geval is waarin een rechtsmiddel bij één processtuk mag (overigens niet: moet) worden ingesteld. Ook in andere gevallen van voldoende samenhang kan dat (soms) aan de orde zijn.

De Hoge Raad maakt daarbij overigens wel een onderscheid tussen zaken die tussen dezelfde partijen zijn gevoerd en zaken die verschillende partijen betreffen. In het laatste geval geldt volgens de Hoge Raad “de  strengere eis dat ook aanstonds voldoende moet vaststaan dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan te rechtvaardigen” (iets dat overigens onder meer het geval kan zijn als in de vorige instantie voeging van die zaken heeft plaatsgevonden).

Gevolgen ontslag van instantie in procedure B BV

Bij de inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep van X (die overigens hangende de cassatieprocedure is overleden en als partij is opgevolgd door zijn erfgenamen) komt nog een andere procesrechtelijke vraag aan de orde. Dat is de vraag wat de gevolgen zijn van het ontslag van instantie waarmee de procedure van B BV tegen de verzekeraars is geëindigd. Het hof had, zoals hiervóór bleek, in procedure 3 aangenomen dat aan de beslissing uit de procedure van B BV dat de verzekeraars behoudens tegenbewijs het bewijs van brandstichting hebben geleverd, gezag van gewijsde toekomt.

Dit oordeel acht de Hoge Raad onjuist. Zoals in eerdere rechtspraak al is beslist (zie HR 17 december 2010, LJN BO1806) leidt ontslag van instantie ertoe dat de gehele instantie vervalt, inclusief eventuele tussenuitspraken en bindende eindbeslissingen die daarin zijn neergelegd. Dat is alleen anders voor zover voorafgaand aan de verlening van ontslag van instantie al een (gedeeltelijke) einduitspraak is gedaan. In de procedure van B BV was echter geen sprake van een gedeeltelijke einduitspraak, maar alleen van tussenuitspraken: een tussenvonnis van de rechtbank en een arrest van het hof op het tussentijds hoger beroep tegen dat vonnis (dat is dus een tussenarrest). Aan de eindbeslissingen van de rechtbank in de procedure van B BV komt dus geen gezag van gewijsde toe.

Dit oordeel van de Hoge Raad leidt alleen in procedure 3 tot vernietiging van het arrest van het hof. In procedure 2 heeft X geen belang bij zijn cassatieklacht op dit punt, omdat X in hoger beroep – zoals hij ook had betoogd – tot het leveren van tegenbewijs door het hof was toegelaten.

Share This