HR 20 september 2019 ECLI:NL:HR:2019:1408

In deze zaak draait het om de vraag of een (tussen)arrest dat is uitgesproken op naam van een raadsheer die op dat moment al was gedefungeerd rechtsgeldig is gewezen. Hoofdregel is dat een vonnis, beschikking of arrest is gewezen als alle rechters die over de zaak oordelen de volledige tekst daarvan hebben vastgesteld. Nu het in deze zaak (nog) niet duidelijk is of de volledige tekst van het (tussen)arrest voor of na het defungeren van een van de raadsheren is vastgesteld heeft de Hoge Raad de zaak aangehouden en het hof op grond van art. 83 Wet RO verzocht om nadere inlichtingen.

Achtergrond

In deze zaak heeft op 18 februari 2016 in hoger beroep het pleidooi plaatsgevonden. In het daaropvolgende tussenarrest van het hof is het volgende opgenomen:

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, E.M. Polak en A. Bockwinkel op 18 februari 2016 en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.”

Het eindarrest is vervolgens gewezen door de raadsheren Dun, Molenaar en Polak. Raadsheer Bockwinkel bleek per 1 april 2016 te zijn gedefungeerd.

Cassatie

In cassatie is aan de orde of het tussenarrest rechtsgeldig tot stand is gekomen. Bij de beantwoording van die vraag stelt de Hoge Raad voorop dat een vonnis, beschikking of arrest is gewezen als alle rechters die over de zaak oordelen de volledige tekst daarvan hebben vastgesteld (zie HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607 en ECLI:NL:HR:2016:2614 (Meavita)), zie CB 2016-183). De ratio van die regel is dat de behandelend rechter en, in meervoudig besliste zaken, ieder van de behandelend rechters, niet alleen verantwoordelijk is voor de genomen beslissing(en), maar ook voor het geheel van de daarvoor gegeven motivering. Deze regel geldt voor alle civiele procedures in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie.

Een vonnis, beschikking of arrest kan in beginsel niet worden uitgesproken op naam van een rechter of raadsheer die is gedefungeerd, indien na het defungeren nog wijzigingen worden aangebracht in de tekst daarvan. Dat geldt in beginsel ook indien het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard, die geen inhoudelijke wijziging meebrengen van de motivering van de beslissing(en). Voor kennelijke fouten die zich eenvoudig lenen voor eenvoudig herstel als bedoeld in art. 31 Rv geldt een uitzondering.

In dit geval is het tussenarrest gewezen op 18 februari 2016, dus vóór het defungeren van raadsheer Bockwinkel (op 1 april 2016). In zoverre lijkt daarmee aan voornoemde regels te zijn voldaan. Vraag is echter of de volledige tekst van het tussenarrest al was vastgesteld op 18 februari 2016 of dat er daarna nog wijzigingen zijn aangebracht. Dat valt niet uit de stukken af te leiden. Omdat kortom onduidelijk is wanneer de volledige tekst van het arrest is vastgesteld, heeft de Hoge Raad de zaak aangehouden en het hof verzocht aan te geven op welke datum en op welke wijze de volledige tekst van het tussenarrest is vastgesteld. Het antwoord op die vraag is bepalend voor de vraag of het tussenarrest rechtsgeldig is gewezen.

Share This