HR 10 februari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BU5620 (X/Universeel Autoschadeherstelbedrijf B.V.)

Bij een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag die erop is gebaseerd dat de werknemer als gevolg van de werkzaamheden arbeidsongeschikt is geworden, rusten stelplicht en bewijslast van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid op de werknemer. Het hof heeft in dit geval te hoge eisen aan deze stelplicht gesteld.

X is sinds 2000 in dienst geweest bij Universeel Autoschadeherstelbedrijf (hierna: UAS) als restyler/plaatwerker. In 2002 en in 2005 is X eerst gedeeltelijk en daarna volledig uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. In 2007 heeft UAS, met een vergunning van het CWI, de arbeidsovereenkomst met X opgezegd.

X vordert daarop in deze procedure schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag (art. 7:681 BW). Aan zijn vordering legt hij ten grondslag dat hij arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van de door hem verrichte werkzaamheden, en dat UAS tekort is geschoten in haar verplichting tot reïntegratie.

In hoger beroep spitst de discussie zich toe op de vraag of het causaal verband tussen de werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid van X is aangetoond. Het hof oordeelt van niet: volgens het hof heeft X onvoldoende gesteld om te kunnen worden toegelaten tot het bewijs van dit causaal verband.

In cassatie stelt de Hoge Raad voorop dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat in een geval als dit de stelplicht en bewijslast van het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de werkzaamheden, op de werknemer rusten. Dit volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv. Wel slaagt de klacht dat het hof te hoge eisen aan deze stelplicht van de werknemer heeft gesteld. X had met betrekking tot het causaal verband aangevoerd dat hij vóór zijn dienstverband met UAZ geen last van zijn rug had, dat hij tijdens dit dienstverband twee keer door zijn rug is gegaan en dat hij daardoor uiteindelijk arbeidsongeschikt is geworden. UAZ had deze stellingen betwist door te verwijzen naar de verklaring van een bedrijfsarts. Hierin werd opgemerkt dat er nog geen duidelijke verklaring voor de klachten van X was, en dat het verband tussen deze klachten en de werkzaamheden ook niet direct duidelijk was. Volgens het hof had X, gelet op deze gemotiveerde betwisting door UAS, onvoldoende gesteld inzake het causaal verband om tot bewijs van zijn stellingen te worden toegelaten. Dit oordeel acht de Hoge Raad onbegrijpelijk:

“In het licht van hetgeen door [eiser] met betrekking tot de relatie tussen de door hem verrichte werkzaamheden en zijn klachten is gesteld, is het oordeel van het hof dat dit – gelet op de gemotiveerde betwisting van UAS – onvoldoende is om daaruit een relevant causaal verband te kunnen afleiden, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hof niet heeft vastgesteld dat de medische verklaringen waarop UAS zich beroept inhouden dat een causaal verband tussen de door [eiser] verrichte werkzaamheden en zijn arbeidsongeschiktheid niet bestaat, maar (slechts) dat in die rapportages zodanig verband niet wordt gelegd. Deze vaststelling rechtvaardigt evenwel niet het oordeel dat [eiser] niet meer kan worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat zodanig verband wel bestaat.”

Al met al is de casus die in dit arrest aan de orde is betrekkelijk simpel, maar (juist daardoor) wel een schoolvoorbeeld van het systeem van stellen en bewijzen. De partij op wie de bewijslast van een bepaald punt rust, moet in de eerste plaats voldoende feiten stellen. Worden die feiten niet (gemotiveerd) betwist door de wederpartij dan staan ze vast (art. 149 lid 1 Rv), worden ze wel gemotiveerd betwist dan zal de partij met de bewijslast het bewijs van de gestelde feiten moeten leveren. Dat kan bijvoorbeeld via getuigen, als getuigenbewijs is aangeboden. Om tot getuigenbewijs te worden toegelaten geldt echter wel als voorwaarde dat de partij die dit bewijs wil leveren haar stellingen voldoende concreet heeft onderbouwd (anders gezegd: aan haar stelplicht heeft voldaan). Of een stelling voldoende is onderbouwd, kan mede afhangen van de betwisting door de wederpartij: onder omstandigheden kan die betwisting zó sterk zijn dat op de andere partij een nadere stelplicht komt te rusten (zie voor een vrij specifiek geval HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713; zeer kritisch over de constructie van de nadere stelplicht is Asser-Procesrecht 2 (Van Schaick), nr. 95). Het hof in deze zaak had kennelijk deze redenering gevolgd. Het oordeel van de Hoge Raad hangt natuurlijk sterk samen met wat er in deze zaak door partijen over en weer precies is gesteld, maar lijkt wel te onderstrepen dat de feitenrechter niet té snel een aanvullende stelplicht mag aannemen voordat hij een partij tot het leveren van getuigenbewijs toelaat.

Share This