HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1537 (X/Gemeente Hoogeveen)

Als in een onteigeningsprocedure de in het Koninklijk Besluit vermelde eigenaar is overleden, dient ingevolge art. 20 Onteigeningswet (Ow) voorafgaand aan het uitbrengen van een dagvaarding een derde te zijn benoemd tegen wie de procedure kan worden gevoerd. Hangende de procedure kan geen derde meer worden benoemd. Niet naleving van dit procedurele voorschrift leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de onteigenaar.

Deze zaak betreft de onteigening van een perceel in Hoogeveen ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. In het Koninklijk Besluit tot onteigening is bij de aangewezen eigenaar van het onteigende vermeld dat die was overleden. De onteigenende gemeente heeft vervolgens deze overleden eigenaar en diens erfgenaam gedagvaard in de onteigeningsprocedure bij de rechtbank Noord-Nederland. De erfgenaam heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van de Gemeente op de grond dat de Gemeente heeft verzuimd de rechtbank op de voet van art. 20 Ow om benoeming van een ‘derde’ te verzoeken.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis de Gemeente de gelegenheid gegeven om alsnog het verzoek als bedoeld in art. 20 Ow te doen. De rechtbank heeft bij beschikking de erfgenaam benoemd als derde in de zin van art. 20 Ow. Vervolgens heeft zij de vervroegde onteigening van het perceel uitgesproken.

De Hoge Raad kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank. Uit art. 18 lid 1 Ow volgt dat het onteigeningsgeding aanvangt doordat de onteigenende partij overgaat tot dagvaarding van degene die bij het onteigeningsbesluit als eigenaar is aangewezen. Voor het geval dat de bij het onteigeningsbesluit aangewezen eigenaar is overleden, bepaalt art. 20 Ow dat het geding wordt gevoerd tegen een op verzoek en op kosten van de onteigenende partij te benoemen derde. Uit deze wetsartikelen, in samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de Hoge Raad dat de derde moet zijn benoemd voordat het onteigeningsgeding (tegen die derde als formele procespartij) wordt aangevangen. De onteigeningsprocedure voorziet niet in de mogelijkheid tot benoeming van een derde nadat het geding is aangevangen, aldus de Hoge Raad.

De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad dus ten onrechte:

  • na aanvang van het geding de mogelijkheid geopend tot benoeming van een derde,
  • de Gemeente in de gelegenheid gesteld daartoe een verzoek te doen, en
  • de onteigening van het perceel uitgesproken tegen (de erfgenaam als) een derde in de zin van art. 20 Ow.

De rechtbank heeft in haar eerste tussenvonnis overwogen dat de Gemeente ten onrechte de overleden eigenaar heeft gedagvaard. Zij heeft echter verzuimd om in haar vonnis waarbij de onteigening werd uitgesproken de Gemeente in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad verklaart de Gemeente alsnog niet-ontvankelijk in haar vordering tegen zowel de overleden eigenaar als diens erfgenaam. De Hoge Raad volgt daarmee de (lezenswaardige) conclusie van zijn waarnemend Advocaat-Generaal Van Oven. Ten aanzien van de erfgenaam heeft de rechtbank (in cassatie onbestreden) in haar tussenvonnis geoordeeld dat hij in zijn hoedanigheid van erfgenaam ten onrechte is gedagvaard en zij is van dat oordeel in haar onteigeningsvonnis niet teruggekomen, zo oordeelt de Hoge Raad. Door dit laatste oordeel lijkt niet te kunnen worden uitgesloten dat ingeval de in het onteigeningsbesluit vermelde eigenaar is overleden, onder omstandigheden toch de mogelijkheid bestaat diens erfgenaam te dagvaarden, zonder dat dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de onteigenaar in diens vordering. In een eerder vergelijkbaar geval, HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, leidde het dagvaarden van de gezamenlijke erfgenamen tot niet-ontvankelijkverklaring, maar destijds was sprake van meerdere erfgenamen. De Hoge Raad dichtte (in rov. 3.7) aan die omstandigheid betekenis toe bij de niet-ontvankelijkverklaring van de onteigenaar, door te overwegen dat (mogelijk tot oponthoud leidende) complicaties kunnen rijzen voor het geval zij het onderling niet eens zijn. Onzeker lijkt al met al te zijn of dagvaarding van een erfgenaam in alle gevallen moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de onteigenaar in zijn vordering.

Voor de vaststelling van de aan de erfgenaam toekomende proceskostenvergoeding in eerste aanleg wijst de Hoge Raad de zaak terug naar de rechtbank. Op grond van HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0547 (CB 2013-12) rov. 4.3, kan ook bij een niet-ontvankelijkverklaring van de onteigenaar door de beoogde onteigende aanspraak worden gemaakt op een volledige proceskostenvergoeding (zie art. 50 Ow).

De erfgenaam is in deze procedure bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur en in feitelijke instantie door Wouter van de Wetering.

Share This