Selecteer een pagina

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:628 (X / Stichting Het Utrechts Landschap)

(i) Een digitale zitting is niet naar zijn aard niet openbaar. Het beperken van de openbaarheid van een zitting – door slechts enkele mensen digitaal toe te laten – is niet in strijd met art. 6 EVRM en art. 121 van de Grondwet.
(ii) Het vergoedingsrecht voor erfpachtafhankelijke opstalrechten op grond van art. 5:105 lid 3 BW in samenhang met art. 5:99 BW geldt ook voor afhankelijke opstalrechten die vóór 1 januari 1992 bestonden. 

Achtergrond van de zaak

In deze zaak draait het om twee vragen: (i) is een mondelinge behandeling via Skype waarbij niet iedereen de inloggegevens krijgt in strijd met art. 27 Rv, 6 EVRM of art. 121 Grondwet, en (ii) geldt de vergoedingsplicht van art. 5:105 lid 3 jo. 5:99 lid 1 BW ook voor erfpachtafhankelijke opstalrechten die vóór 1 januari 1992 bestonden?

(i) Digitale zitting

In deze zaak heeft het hof als gevolg van de maatregelen rondom COVID-19 besloten dat de mondelinge behandeling digitaal plaatsvond (via Skype).

Binnen de rechtspraak zijn vanwege de coronapandemie in begin 2020 verstrekkende maatregelen getroffen ter bescherming van de volksgezondheid. Deze maatregelen zijn in de eerste plaats vastgelegd in de procesregeling Tijdelijke Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak. Deze regeling is verder uitgewerkt in de Tijdelijke regeling handelszaken in hoger beroep. Op grond van art. III kan een hof besluiten dat een zitting online (via een telefonische (beeld)verbinding) plaatsvindt.

Naast deze procesregelingen is in april 2020 ook de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in werking getreden. Op grond van art. 2 van deze wet kan, wanneer in verband met de uitbraak van COVID-19 in burgerlijke en bestuursrechtelijke gerechtelijke procedures het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is, de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

In cassatie wordt geklaagd dat het hof art. III van de Tijdelijke regeling handelszaken in hoger beroep buiten toepassing had moeten laten, omdat deze bepaling strijdig en onverenigbaar zou zijn met art. 27 Rv, art. 6 EVRM en art. 121 Grondwet. Deze artikelen bepalen, kort gezegd, dat terechtzittingen in het openbaar moeten plaatsvinden. Volgens het onderdeel is de toegankelijkheid van een digitale zitting naar haar aard beperkt tot diegenen die beschikken over de inloggegevens voor de zitting, zodat zo’n zitting niet openbaar is.

Op de openbaarheid van zittingen kan volgens art. 6 EVRM en art. 121 Grondwet een uitzondering worden gemaakt, voor zover dit bij wet is bepaald. Art. 27 lid 1 bevat een viertal uitzonderingen op basis waarvan een zitting achter gesloten deuren of slechts met beperkte toegang kan plaatsvinden. Ingevolge sub d kan de rechter hiertoe besluiten indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

De Hoge Raad overweegt over de klacht als volgt:

“Ook als de mondelinge behandeling plaatsvindt door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, kan zij openbaar zijn. Evenals in geval van een fysieke zitting kan in geval van een digitale zitting aan derden die de zitting willen bijwonen toegang worden gegeven (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.115). Voor zover het onderdeel berust op de veronderstelling dat een digitale zitting naar haar aard niet openbaar is, faalt het dus.”

De Hoge Raad vervolgt met de overweging dat het hof in het proces-verbaal heeft vermeld dat de zitting openbaar is geweest. Voor zover dit niet het geval zou zijn geweest, dient dit gezien het belang van continuïteit van rechtspraak aan het begin van de coronapandemie volgens de Hoge Raad te worden aangemerkt als een toepassing van de uitzondering van art. 27 lid 1 sub d Rv. De klachten treffen geen doel.

(ii) Overgangsrecht voor erfpachtafhankelijke opstalrechten

De erfpachtster X kocht in 2003 een door de Stichting uitgegeven erfpacht- en opstalrecht op een perceel. Bij de aankoop werden de rechten verlengd tot 2018. Begin 2016 heeft de Stichting laten weten dat zij de erfpacht na afloop ervan niet opnieuw wil verlengen. In de vestigingsakte was opgenomen dat bij beëindiging van het erfpachtrecht de grondeigenaar € 275.000 aan de erfpachtster moest betalen. De erfpachtster ging echter niet akkoord, omdat zij meende dat zij recht had op een hoger bedrag. Zij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat de gehekelde bepaling in de vestigingsakte nietig is, althans dat zij deze rechtsgeldig heeft vernietigd, dan wel dat deze in rechte wordt vernietigd. De erfpachtster baseert deze vordering op het vergoedingsrecht van art. 5:99 BW en art. 5:105 BW.

Art. 5:99 lid 1 BW bepaalt dat de voormalig erfpachter na einde van de erfpacht recht heeft op de vergoeding van de nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen die door hemzelf zijn aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding van de waarde zijn overgenomen. Art. 5:105 lid 3 BW bepaalt dat art. 5:99 BW van overeenkomstige toepassing is in het geval van een opstalrecht. Deze bepalingen zijn van dwingend recht.

De vordering van de erfpachtster wordt door het hof Arnhem-Leeuwarden afgewezen. Volgens het hof is op grond van art. 170 van de Overgangswet Nieuw BW (Ow NBW) art. 5:99 BW niet van toepassing op erfpachtrechten die bestonden vóór 1 januari 1992. Nu de erfpachtster een al sinds 1978 bestaand erfpachtrecht heeft overgekocht, vindt art. 5:99 BW in dit geval geen toepassing. Art. 5:105 lid 3 BW vindt om diezelfde reden geen toepassing, nu sprake is van een erfpachtafhankelijk opstalrecht. De erfpachtster kan dus geen beroep doen op het vergoedingsrecht – aldus het hof. De erfpachtster richt in cassatie klachten tegen dit oordeel.

De Hoge Raad komt tot een ander oordeel. Onder het oud-BW bestond geen vergoedingsplicht bij de afloop van de erfpacht. Om te voorkomen dat eigenaren bij de invoering van het nieuwe BW onvoorzien belast werden met een vergoedingsplicht waarmee zij tijdens het vestigen van de erfpacht geen rekening konden houden, heeft de wetgever in art. 170 Ow NBW bepaalt dat deze vergoedingsplicht alleen geldt voor erfpachtrechten die worden gevestigd ná 1 januari 1992. De wetgever heeft echter voor het opstalrecht overwogen dat art. 5:105 BW (en daarmee ook 5:99 BW) zonder bezwaar van toepassing kan worden met betrekking tot lopende opstalrechten. Voor het opstalrecht bestond namelijk onder het oud-BW al wel een niet-dwingendrechtelijk vergoedingsrecht.

De Hoge Raad overweegt dat ingevolge art. 171 Ow NBW de uitzondering van art. 170 Ow NBW niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op een recht van opstal. Verder volgt er noch uit de wet, noch uit de wetsgeschiedenis dat dit anders is voor een erfpachtafhankelijk opstalrecht. De klacht is daarom terecht voorgesteld.

Toch baat dit erfpachtster uiteindelijk niet. De betreffende cassatieklacht kan namelijk niet tot cassatie leiden, omdat het hof ook had geoordeeld dat de vordering tot vernietiging van de gehekelde bepaling verjaard was. De klachten tegen dit oordeel worden door de Hoge Raad verworpen, waardoor de klacht over het overgangsrecht belang mist.

De Hoge Raad verwerpt daarom het beroep. De beslissing van de Hoge Raad is in lijn met de conclusie van A-G Rank-Berenschot.

Share This