Het overzicht van lopende zaken vermeldt vijf nieuwe civiele zaken (afgezien van 2 fiscaal-rechtelijke zaken) waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld.  De vragen zien op (1) is artikel 6 Bijzondere voorwaarden een  beding dat op grond van Richtlijn 93/13 als oneerlijk moet worden beschouwd, (2) de invoering van de Jeugdwet en de WMO 2015, (3) kan art. 2:18 BW over omzetting van rechtspersonen overeenkomstig worden toegepast ten aanzien van kerkgenootschappen, (4) erkenning van bigamie en (5) tijdstip aanvang van de tien-jaar-termijn: het materiele einde of het formele einde van de schuldsanering.

Is art. 6 Bijzondere voorwaarden een beding dat op grond van Richtlijn 93/13 als oneerlijk moet worden beschouwd?

Het Hof Amsterdam heeft de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of  art. 6 en art. 15 Bijzondere voorwaarden (door Dexia bij het aangaan van effectenleaseovereenkomsten gehanteerde algemene voorwaarden), gelet op de wettelijke regeling van huurkoop, de aard van de goederen en de omstandigheden rondom de sluiting van de overeenkomst en de omstandigheid dat gedurende de looptijd niet wordt afgelost op het aankoopbedrag, als een oneerlijk beding op grond van Richtlijn 93/13/EEG moet worden beschouwd en dus buiten toepassing dient te blijven.

Is de invoering van de Jeugdwet en de WMO 2015 te beschouwen als een opgelegde bezuinigings-en/of saneringsmaatregel?

De Kantonrechter te Den Haag heeft zich tot de Hoge Raad gewend met de vraag of de invoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te beschouwen zijn als een bezuinigings- en/of saneringsmaatregel al dan niet in combinatie met de door het ministerie van VWS en/of het ministerie van V&J opgelegde taakstelling / budgetkorting aan de gemeenten van 15% over de jaren 2015 – 2017.

Kan art. 2:18 BW omtrent omzetting van rechtspersonen overeenkomstig worden toegepast ten aanzien van kerkgenootschappen?

In BW boek 2 ontbreekt een regeling van de rechtsvorm van kerkgenootschappen, dit berust op het beginsel van de scheiding tussen Kerk en Staat. De Rechtbank Amsterdam heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of het bepaalde in  art. 2:18 BW omtrent omzetting van rechtspersonen overeenkomstig kan worden toegepast ten aanzien van kerkgenootschappen.

Erkenning van in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekkingen. Nederlanderschap.

De Rechtbank Den Haag heeft de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld of voor beoordeling van de erkenning van een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking eerst de voorvraag moet worden gesteld of het (oorspronkelijk bigame) huwelijk van de ouders in Nederland kan worden erkend.

Wat wordt verstaan onder de woorden “van toepassing is geweest” als bedoeld in art. 288 lid 2 FW?

Met het stellen van prejudiciële vragen beoogt de Rechtbank Rotterdam duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of het materiële einde, het verstrijken van de termijn als bedoeld in art. 349a FW, of het formele einde van de schuldsaneringsregeling, het verbindend worden van de uitdelingslijst, moet worden aangehouden voor de aanvang van de tienjaarstermijn ex art. art. 288 lid 2 FW.

 

 

 

 

 

 

Share This