HR 14 juni 2013, LJN BZ4096

In procedures waarin in geschil is of een ontbonden rechtspersoon over baten beschikt, kan de rechter het oordeel van het bestuur of de vereffenaar van deze rechtspersoon dat zij geen baten (meer) heeft, op juistheid onderzoeken. Voor een dergelijk onderzoek behoeft niet (eerst) de procedure van art. 2:23c lid 1 BW – tot heropening van de vereffening van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon – te worden gevolgd.

Verweerster in cassatie heeft een vordering van € 110.000 op verzoekster en beschikt ter zake daarvan over een executoriale titel. Tot verhaal van haar vordering heeft verweerster executoriaal beslag gelegd op de aandelen van verzoekster in Ongo BV, van welke vennootschap verzoekster enig aandeelhouder en bestuurder was. Enige tijd na de beslaglegging heeft verzoekster besloten tot ontbinding van Ongo, welke ontbinding is ingeschreven in het handelsregister.

In deze procedure verzoekt (thans) verweerster op de voet van art. 474g Rv te bepalen dat, en binnen welke termijn, zal worden overgaan tot (executoriale) verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen. Verzoekster heeft (onder meer) als verweer gevoerd dat Ongo is ontbonden bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en wegens gebrek aan baten op grond van art. 2:19 lid 4 BW onmiddellijk is opgehouden te bestaan (zodat verkoop van de – dientengevolge ook niet meer bestaande – aandelen niet aan de orde kan zijn). Het hof verwierp dit verweer en oordeelde daartoe onder meer dat voldoende aannemelijk was dat nog baten bestonden (zodat de rechtspersoon geacht kon worden nog steeds te bestaan; vgl. art. 2:19 lid 5 BW).

In cassatie bestrijdt verzoekster het oordeel van het hof. Zij betoogt dat het de rechter niet vrijstond om in de onderhavige procedure het oordeel te toetsen van het bestuur van Ongo dat ten tijde van de ontbinding geen baten meer aanwezig waren zodat zij had opgehouden te bestaan. Volgens verzoekster diende dat oordeel in een afzonderlijke procedure  ex art 2:23c BW – tot heropening van de vereffening van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon – te worden getoetst. Verzoekster betoogde tevens dat HR 27 januari 1995, NJ 1995/579 dit niet anders maakt. In dat arrest heeft de Hoge Raad – in een procedure waarin het faillissement van een ontbonden rechtspersoon was aangevraagd – bepaald dat het oordeel van het bestuur (of de vereffenaar) over de aanwezigheid van baten vatbaar is voor toetsing en dat daartoe dus niet de weg van art. 2:23c BW behoeft te worden gevolgd. Volgens verzoekster is het belang van dit arrest beperkt tot faillissementsprocedures.

De Hoge Raad gaat niet mee in het betoog van verzoekster en verwerpt haar cassatieberoep. Daartoe oordeelt de Hoge Raad dat (het belang van) diens oordeel in het arrest van 1995 niet beperkt is tot de aanvrage van faillissement. Ook in andere procedures waarin in geschil is of een ontbonden rechtspersoon over baten beschikt, kan de rechter het oordeel van het bestuur of de vereffenaar van deze rechtspersoon dat zij geen baten (meer) heeft, op juistheid onderzoeken. Ook in die gevallen behoeft dus niet (eerst) de procedure van art. 2:23c lid 1 BW te worden gevolgd.

Share This