Selecteer een pagina

HR 1 mei maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:1188 (Van As q.q. / Ontvanger)

Alleen door een rechterlijke beslissing kan, in geval van misbruik van bevoegdheid, de schorsende werking aan het verzet van art. 17 lid 2 Invorderingswet worden ontnomen.

Schorsende werking van verzet

Op grond van art. 17 lid 2 van de Invorderingswet (hierna: Iw) kan een belastingplichtige in verzet komen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel door de Ontvanger. De wet verbindt aan het verzet het gevolg van schorsende werking: gedurende de verzetprocedure dient de tenuitvoerlegging van het dwangbevel te worden opgeschort. In de onderhavige zaak stond de vraag centraal of de Ontvanger, in een geval waarin de belastingplichtige daags voor de al maanden eerder door de Ontvanger aangezegde executie verzet instelde en een beroep deed op de schorsende werking van dat verzet, mocht besluiten om de executie desondanks voort te zetten.

In het oorspronkelijke wetsvoorstel ter invoering van de Invorderingswet 1990 had het instellen van verzet geen schorsende werking. Op verzoek van de Tweede Kamer is het artikel echter gewijzigd, waarbij in aanmerking is genomen dat mogelijk misbruik van een beroep op de schorsende werking zou kunnen worden gemaakt.

In 1994 heeft de Hoge Raad bepaald dat de bevoegdheid van de belastingplichtige om zich te beroepen op de schorsende werking die het door hem ingestelde verzet op grond van art. 17 lid 2 Iw heeft, vatbaar is voor misbruik en dat in dat geval door de belastingplichtige geen beroep kan worden gedaan op de schorsende werking (HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 411). In hetzelfde arrest werd beslist dat alleen een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking van het verzet op grond van misbruik van die bevoegdheid opzij wordt gezet. Van misbruik van bevoegdheid kan sprake zijn als het verzet, gelet op hetgeen de belastingplichtige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingplichtige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging.

Leek lange tijd dit misbruik van bevoegdheid (vrijwel) niet voor te komen, de laatste jaren is de schorsende werking van het verzet van art. 17 lid 2 Iw “ontdekt” door belastingplichten (zoals ook opgemerkt door de advocaat-generaal Wesseling-van Gent onder nr. 2.16 van haar conclusie).

De casus

In de onderhavige zaak besloot de Ontvanger de executie van de dwangbevelen door te zetten ondanks het door belastingplichtige Reclame & Zo B.V. (hierna: R&Z) ingestelde verzet. Van belang hierbij was onder meer dat de belastingschuld van R&Z bleef oplopen, de Ontvanger de openbare executieverkoop al tweemaal had uitgesteld, de executieverkoop reeds lang van tevoren was aangezegd, en de vennootschap daags voor die verkoop verzet had ingesteld. Enkele dagen na de openbare verkoop wordt R&Z op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. In de verzetprocedure (op de voet van art. 27 Fw overgenomen door de curator) is niet alleen verzet ingesteld maar wordt ook een verklaring voor recht gevorderd dat de Ontvanger jegens R&Z onrechtmatig heeft gehandeld door de schorsende werking van het verzet te negeren alsmede een veroordeling van de Ontvanger tot vergoeding van de door diens handelen veroorzaakte schade, op te maken bij staat.

De rechtbank wijst de verklaringen voor recht toe. Het Hof vernietigt echter het vonnis van de rechtbank, wijst de vorderingen van de curator af en verklaart het verzet ongegrond omdat het verzet zo duidelijk kansloos is dat het belang van R&Z bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij de voortzetting van de tenuitvoerlegging. Het Hof overweegt daartoe onder meer:

“4.8 Nu sprake is van een duidelijk kansloos verzet dient vervolgens het belang van R&Z bij schorsing tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging te worden afgewogen. Het hof is van oordeel dat de Ontvanger voldoende specifieke omstandigheden heeft aangevoerd, die het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging als zwaarwegend kunnen rechtvaardigen.

(…)

Tegen de achtergrond van bovengeschetste omstandigheden, waarbij R&Z de afspraken gemaakt in het gesprek op 8 september 2009 niet is nagekomen, de Ontvanger desondanks bereid is geweest om diverse keren de openbare verkoop op te schorten, de betalingsachterstanden maandelijks (fors) opliepen, R&Z reeds op 26 november 2009 kennis droeg van de datum van de opnieuw aangezegde openbare verkoop (op 27 januari 2010) en het R&Z op 11 januari 2010 bekend was dat haar beroep was afgewezen, is het hof van oordeel dat de belangen van de Ontvanger in dat stadium bij de onmiddellijke executoriale verkoop ter inning van ongeveer € 180.000, zelfs als deze verkoop voorzienbaar slechts ongeveer € 7.000 zou opleveren, aanmerkelijk zwaarder wegen dan die van R&Z bij behoud van haar (kantoor-)inventaris en de mogelijkheid om ten koste van de Ontvanger zonder afdracht van loonheffing en omzetbelasting (met oploop van onverhaalbare belastingschulden als gevolg) door te gaan met haar verkopen, ook al zou de executie in feite het einde van haar onderneming betekenen. Daarbij is voorts van belang dat de belastingdeurwaarder de verkoop reeds had voorbereid en dat advertentiekosten waren gemaakt. Door desondanks en zo laat verzet in te stellen, heeft R&Z misbruik van haar bevoegdheid gemaakt.

Al het voorgaande levert een voldoende rechtvaardiging op om in het onderhavige geval een uitzondering op de hoofdregel, dat het instellen van verzet tot schorsing van de tenuitvoerlegging leidt, aan te nemen. De Ontvanger heeft dan ook, ondanks het verzet, tot executie mogen overgaan.”

Cassatie

In cassatie klaagt de curator onder meer dat het Hof heeft miskend dat de schorsende werking van het verzet van art. 17 lid 2 Iw enkel opzijgezet kan worden door een rechterlijke beslissing. De Ontvanger op zijn beurt verwijst onder meer naar de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat onder omstandigheden voorbijgegaan kan worden aan de schorsende werking van het verzet (HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1525; HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3636; HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 411). Ook wijst de Ontvanger op de Leidraad Invordering, waarin beleid is geformuleerd dat bepaalt hoe om moet worden gegaan met gevallen waarin naar de mening van de Ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. Daarbij verwijst de Ontvanger ook naar uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën in de Tweede Kamer, waaruit blijkt dat het Ministerie onder omstandigheden, onder strikte voorwaarden, de Ontvanger toestemming kan geven om zonder rechterlijke tussenkomst de schorsende werking te negeren. De Staatssecretaris op zijn beurt verwees naar de conclusie van de advocaat-generaal Bakels vóór het arrest van 19 oktober 2001, waarin deze uitdrukkelijk bepleit dat de Ontvanger bevoegd is de schorsende werking van het verzet te negeren.

Onder verwijzing naar zijn eerdere jurisprudentie oordeelt de Hoge Raad als volgt:

” 3.3.4 De wet verbindt in art. 17 lid 2, tweede volzin, Iw aan het verzet zonder meer het gevolg van schorsende werking. Dit berust, zoals overwogen in de arresten van 7 oktober 1994 en 8 juni 2007, op een welbewuste keuze van de wetgever. Daarmee strookt, zoals al besloten ligt in deze arresten – met name in dat van 8 juni 2007 (zie hiervoor in 3.3.3) -, dat in geval van misbruik van bevoegdheid alleen door een rechterlijke beslissing de schorsende werking aan het verzet kan worden ontnomen. Voor deze beperking bestaat ook aanleiding nu het gaat om de tenuitvoerlegging van een titel die (als zodanig) niet door de rechter is getoetst.”

Met dit oordeel laat de Hoge Raad niets aan onduidelijkheid over: alleen door een rechterlijke beslissing kan de schorsende werking aan het verzet van art. 17 lid 2 Iw worden ontnomen. De overige klachten van R&Z doet de Hoge Raad af onder verwijzing naar art. 81 RO.

De Hoge Raad vernietigt, conform de conclusie, het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

De Ontvanger werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Maarten Jansen.

Share This