Selecteer een pagina

HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1967

De Hoge Raad heeft beslist dat een niet eerder verschenen belanghebbende in cassatie als belanghebbende kan worden toegelaten, indien hij buiten zijn schuld in eerdere instanties niet is verschenen, en dan zelfs nog van zijn kant incidentele cassatiemiddelen kan aanvoeren.

Het ging in deze zaak om schade door olieverontreiniging die was ontstaan door een lek in de huid van een schip dat eigendom was van NCC. Dit lek was veroorzaakt door een aanvaring van dit schip met een steiger in de haven van Rotterdam in 2018. Daardoor was aanzienlijke schade ontstaan (in totaal ongeveer € 80 miljoen) bij de Staat, in verband met het opruimen van olie, bij reders van andere schepen, door het niet tijdig kunnen lossen, en door anderen die schade leden vanwege het niet kunnen lossen.

De aansprakelijkheid voor verontreiniging door olie in de maritieme sector wordt beheerst door een aantal verdragen. Dat zijn onder meer het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie 1992 (Fondsverdrag 1992), dat onder meer ten doel heeft vergoeding te verschaffen voor schade door verontreiniging voor zover het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (Aansprakelijkheidsverdrag 1992), onvoldoende bescherming biedt. Nederland is partij bij het Fondsverdrag 1992 en het Aansprakelijkheidsverdrag 1992. Verder zijn relevant het Verdrag van 19 november 1976 inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, als gewijzigd door het Protocol van 2 mei 1996 tot wijziging van het Verdrag van 19 november 1976 (LLMC-verdrag) en het Internationaal verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie (Bunkerverdrag).

NCC had de rechtbank in de hoofdprocedure verzocht voor recht te verklaren dat zij haar aansprakelijkheid kon beperken op grond van het LLMC-verdrag omdat zich een voorval had voorgedaan als bedoeld in art. 1 lid 8 van het Bunkerverdrag en dat zij op grond van art. 6 Bunkerverdrag ook gerechtigd was haar aansprakelijkheid te beperken. Dat is relevant omdat de aansprakelijkheid bij toepasselijkheid van het Bunkerverdrag beperkt is tot ruim € 17 miljoen en bij toepasselijkheid van het Aansprakelijkheidsverdrag 1992 tot ongeveer € 22 miljoen. In dat laatste geval financiert het Fonds bovendien aanvullende vergoedingen.

De rechtbank heeft in de hoofdprocedure beslist dat het verzoek van NCC in beginsel binnen het toepassingsbereik van het Bunkerverdrag valt, maar dit toch afgewezen, omdat onduidelijk was of het schip ten tijde van het voorval vrij was van residuen van eerder als lading vervoerde olie, waardoor het schip kwalificeerde als schip in de zin van het Aansprakelijkheidsverdrag 1992, met als consequentie dat NCC zich niet op het Bunkerverdrag kan beroepen. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. NCC heeft tegen die beslissing cassatieberoep ingesteld.

Het Fonds, dat in eerdere instanties niet was verschenen, verzocht in het incident in cassatie primair om te mogen tussenkomen en subsidiair om als belanghebbende in cassatie te worden toegelaten, alsmede om desgewenst ook van zijn kant incidentele cassatiemiddelen te mogen aanvoeren.

De Hoge Raad gaat eerst in op het beroep van het Fonds op art. 7 lid 4 Fondsverdrag 1992 en beslist, mede aan de hand van uitleg conform art. 31 van het Weens Verdragenverdrag, dat dit artikel geen grondslag biedt voor tussenkomst van het Fonds in cassatie. Dit artikel beperkt zich volgens de Hoge Raad tot gevallen waarin schadevergoeding wordt gevorderd van de reder en dus niet tot gevallen als dit waarin wordt verzocht om een beperking van aansprakelijkheid. Het incidentele verzoek moet daarom volgens de Hoge Raad volgens het commune procesrecht worden beoordeeld.

Voor het beroep in cassatie in verzoekprocedures bepaalt art. 426 lid 1 Rv volgens de Hoge Raad dat van beschikkingen beroep in cassatie kan worden ingesteld door degenen die in een van de vorige instanties verschenen zijn, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen volgens de Hoge Raad echter mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv gebezigde woorden ‘in een van de vorige instanties verschenen’, niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen. Gelet op de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde vraag zijn de eigen belangen van het Fonds, aldus de Hoge Raad, dan ook zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de hoofdprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Gelet hierop kan het Fonds in dit geding volgens de Hoge Raad als belanghebbende worden aangemerkt.

In feitelijke instanties heeft het Fonds geen verweerschrift ingediend. Het Fonds is in feitelijke instanties ook niet als belanghebbende opgeroepen of ter zitting gehoord. Nu de rechtbank en het hof het Fonds niet hebben opgeroepen teneinde een verweerschrift in te dienen dan wel te worden gehoord, en niet voor twijfel vatbaar is dat het Fonds in dit geding belanghebbende is, kan volgens de Hoge Raad gezegd worden dat het Fonds buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen dan mee dat moet worden aangenomen dat art. 426 lid 1 Rv niet de strekking heeft om ook in zodanig geval een beroep of verweer in cassatie uit te sluiten. Aan het voorgaande staat volgens de Hoge Raad niet in de weg dat het Fonds wist of had kunnen weten van het hoofdgeding tussen NCC en diverse belanghebbenden. Ook de omstandigheid dat het Fonds niet ambtshalve behoefde te worden opgeroepen, staat daaraan volgens de Hoge Raad niet in de weg. Het Fonds kan daarom nog in cassatie als belanghebbende worden toegelaten en kan bovendien volgens de Hoge Raad desgewenst incidenteel cassatieberoep instellen.

Share This