Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Tussentijds hoger beroep tegen later tussenvonnis

CB 2018-26 Geplaatst op 25 januari 2018 door

HR 24 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:3018 (Invinco GmbH  / X)

1) Het hof heeft gebruik gemaakt van mogelijkheid die art. 356 Rv hem biedt om de zaak aan zich te houden en heeft het verzet tegen de eiswijziging in het incidentele appel verworpen. Het al dan niet gebruikmaken van die bevoegdheid is aan de appelrechter en leent zich niet voor toetsing in cassatie.
2)  Hoger beroep tegen later tussenvonnis als bedoeld in art. 337 lid 2 Rv kan slechts worden ingesteld tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis, tenzij de rechter die het vonnis heeft gewezen anders heeft bepaald. Het is niet aan de appelrechter om hierop een uitzondering te maken. De Hoge Raad oordeelt dat in een toegelaten hoger beroep tegen een tussenvonnis , na daartoe verkregen verlof, weliswaar ook eerdere tussenvonnissen kunnen worden betrokken, maar dat dit niet geldt voor latere tussenvonnissen.

Achtergrond

X heeft door tussenkomst van Invinco belegd in effecten en heeft op die beleggingen (futures en opties) verliezen geleden. De rechtbank heeft bij eerste tussenvonnis geoordeeld dat Invinco haar zorgplicht jegens X heeft geschonden en dat zij aansprakelijk is voor de door X geleden schade. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rol voor een door X te nemen akte waarin hij zijn schade kon specificeren en onderbouwen. De rechtbank heeft tussentijds appel tegen haar  tussenvonnis opengesteld. X  heeft de bedoelde akte genomen. Invinco heeft hoger beroep tegen het eerste tussenvonnis ingesteld maar ook voortgeprocedeerd  in eerste aanleg en bij antwoordakte gereageerd op de akte van X zonder melding te maken van het door haar ingestelde hoger beroep. De rechtbank oordeelt in  een tweede tussenvonnis dat  Invinco 60 % van de schade moet vergoeden en gelast een comparitie van partijen. Invinco heeft memorie van grieven genomen in het hoger beroep en X heeft bij memorie van antwoord incidenteel appel ingesteld tegen het tweede tussenvonnis en zijn eis gewijzigd. Het hof heeft bij eindarrest  naar aanleiding van het incidenteel appel en de gewijzigde eis van X de beide tussenvonnissen  vernietigd en Invinco veroordeeld tot betaling van  € 113.000 aan X.

Hof mocht zaak aan zich houden

Het hof heeft het eerste tussenvonnis vernietigd in verband met de gewijzigde eis van X en heeft zo gebruik gemaakt van de mogelijkheid die art. 356 Rv hem biedt om de zaak aan zich te houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen. Aangezien het hof  het verzet tegen de eiswijziging had afgewezen (welke afwijzing in cassatie onaantastbaar is geworden  ingevolge art. 130 lid 2 Rv), moest het hof dus  bij de beoordeling van het hoger beroep uitgaan van de nieuwe eis.  Het hof vernietigde vervolgens de tussenvonnissen. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat art. 356 Rv  de appelrechter weliswaar de mogelijkheid biedt om de zaak naar de rechtbank terug te verwijzen, maar dat hij daartoe niet verplicht is. Het beleid van de appelrechter  om gebruik te maken van de mogelijkheid die 356 Rv hem biedt om de zaak aan zich te houden, leent zich bovendien niet voor toetsing in cassatie (zie HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1073, NJ 1994/299).

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel tegen tweede tussenvonnis

Invinco klaagde verder dat het hof ten onrechte haar beroep op niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel tegen het tweede tussenvonnis had verworpen. De Hoge Raad overweegt dat hoger beroep tegen een tussenvonnis als bedoeld in art. 337 lid 2 Rv slechts kan worden ingesteld tegelijk met dat tegen het eindvonnis, tenzij de rechter die het vonnis heeft gewezen anders heeft bepaald. Met het oog op de rechtszekerheid is het niet aan de appelrechter om hierop een uitzondering te maken  (de Hoge Raad verwijst in dit kader naar onder meer HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9442, NJ 2006/432 en HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8327, NJ 2007/595). In deze zaak was door de rechtbank geen tussentijds appel tegen het tweede tussenvonnis opengesteld. Het hof had daarom niet, onder verwijzing naar de eisen van een goede procesorde en de efficiënte van de rechtsgang, een uitzondering mogen maken en mogen toelaten dat ook het tweede tussenvonnis in de rechtsstrijd werd betrokken.

De Hoge Raad overweegt in aansluiting daarop dat de door het hof genoemde rechtspraak over tussentijds appel tegen tussenvonnissen geen grond geeft voor een ander oordeel. Een toegelaten tussentijds appel tegen een tussenvonnis kan niet mede betrekking hebben op een later tussenvonnis in de zin van art. 337 lid 2 Rv: 

(3.5.4. …) Krachtens die rechtspraak kunnen in een appel tegen een tussenvonnis in de zin van art. 337 lid 2 Rv, na daartoe verkregen verlof, ook eerdere tussenvonnissen in het hoger beroep worden betrokken. Dit houdt verband met de omstandigheid dat een tussenvonnis voortbouwt op – en een geheel vormt met – de in eerdere tussenvonnissen genomen beslissingen. Uit deze rechtspraak volgt niet dat een toegelaten tussentijds appel tegen een tussenvonnis mede betrekking kan hebben op een later tussenvonnis in de zin van art. 337 lid 2 Rv. Het tussenvonnis waarvan tussentijds appel is toegelaten bouwt immers niet voort op het latere tussenvonnis, dat juist een nieuwe stap in de procedure zet. Voor tussentijds hoger beroep tegen zo’n later tussenvonnis dient, binnen de appeltermijn van dat latere tussenvonnis (HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, NJ 2005/510), afzonderlijk verlof te worden gevraagd.

Ook de eisen van een goede procesorde rechtvaardigen de door het hof toegestane doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet (vgl. het hiervoor in 3.5.3 vermelde arrest van 17 maart 2006).

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het hof weliswaar niet had mogen overgaan tot vernietiging van het tweede tussenvonnis, maar dat het wel de in hoger beroep gewijzigde eis van verweerder mocht betrekken bij zijn oordeelsvorming en vervolgens, gebruikmakend van de hem in art. 356 Rv gegeven bevoegdheid, de zaak zelf kon afdoen:

(3.5.5. …)Uit hetgeen hierna in 3.6 wordt overwogen, volgt dat de klachten van Invinco die betrekking hebben op het materieelrechtelijke geschil falen, hetgeen meebrengt dat de door het hof uitgesproken veroordelingen in stand blijven en door deze uitspraak van de Hoge Raad kracht van gewijsde krijgen. Dit betekent in het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot vernietiging van het tweede tussenvonnis, niet meer tot een andere uitkomst van de zaak zou leiden, zodat Invinco bij die vernietiging door de Hoge Raad geen belang heeft.”

De Hoge Raad doet de overige klachten van Invinco af onder verwijzing naar art. 81 RO en verwerpt het beroep van Invinco.

email print