Selecteer een pagina

HR 15 januari 2021 ECLI:NL:HR:2021:43

Dat degene die in de eerdere instantie als procespartij had te gelden de bevoegdheid heeft om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de in die eerdere instantie gewezen uitspraak, en van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, sluit niet uit dat diegene voldoende belang erbij kan hebben om in de volgende instantie alleen door middel van voeging bij de procedure betrokken te blijven. 

Voeging op grond van art. 217 Rv

Een vordering tot voeging kan alleen worden toegewezen als degene die voeging vordert, belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding (art. 217 Rv). Het is daarbij vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor het aannemen van dat belang voldoende is dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder ‘nadelige gevolgen’ moeten de feitelijke of juridische gevolgen worden verstaan die de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.

In deze zaak heeft de Hoge Raad zich in twee uitspraken uitgelaten over de vraag wanneer degene die in een vorige instantie partij was, er belang bij heeft zich in de daaropvolgende instantie te voegen.

Heeft een procespartij belang bij voeging?

In de eerdere, ook op Cassatieblog besproken, uitspraak in deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat een partij die al als procespartij in de desbetreffende instantie is betrokken, geen belang erbij heeft om zich in diezelfde instantie te mogen voegen. Die partij kan dan immers in zijn hoedanigheid van procespartij zijn standpunt kenbaar maken.

Een partij uit de vorige instantie is als procespartij in de volgende instantie betrokken als (i) hij zelf een rechtsmiddel heeft ingesteld of (ii) wanneer hij door de partij die een rechtsmiddel heeft ingesteld als procespartij is betrokken. In die gevallen heeft de betreffende partij dus geen belang erbij zich te mogen voegen in die instantie.

De Hoge Raad lijkt daarbij ervan uit te gaan dat ook de partij aan wiens zijde de voegende partij zich in de eerdere instantie had gevoegd, de voegende partij in een volgende instantie als procespartij kan betrekken. De Hoge Raad overweegt namelijk dat de partij aan wiens zijde de voegende partij zich had gevoegd, hoger beroep heeft ingesteld ‘maar de voegende partij daarin niet als procespartij heeft betrokken’. Dat is opvallend, omdat uitgangspunt is dat een rechtsmiddel uitsluitend kan worden ingesteld tegen degene die in vorige instantie als wederpartij is opgetreden. Of de Hoge Raad daadwerkelijk heeft bedoeld op dit uitgangspunt een uitzondering te maken, is echter niet duidelijk.

Kan een partij die in vorige instantie procespartij was, zich in de daaropvolgende instantie voegen?

In de tweede uitspraak in deze procedure is de (vervolg)vraag aan de orde of degene die zich in een eerdere instantie heeft gevoegd, en die in de daaropvolgende instantie niet als procespartij is betrokken – hij heeft dus geen rechtsmiddel ingesteld en is ook niet door een van de andere partijen bij het instellen van hun rechtsmiddel als procespartij betrokken – zich in de volgende instantie kan voegen.

Het hof Arnhem-Leeuwarden had die vraag ontkennend beantwoord, omdat volgens het hof – kort gezegd – die partij gebruik had moeten maken van zijn recht tot het instellen van een rechtsmiddel. De Hoge Raad vernietigt, in navolging van A-G Vlas,  het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en wijst het geding terug naar dat hof. De Hoge Raad overweegt daartoe als volgt:

“De bevoegdheid van een procespartij om een rechtsmiddel aan te wenden, sluit niet uit dat die partij een gerechtvaardigd belang erbij kan hebben om louter door middel van een vordering tot voeging in de volgende instantie, betrokken te blijven bij het geding en het standpunt van de partij aan wier zijde zij zich voegt, te ondersteunen door aanvoering van nadere argumenten. Wel kan een vordering tot voeging worden afgewezen wegens strijd met de eisen van een goede procesorde of wegens misbruik van procesrecht.”

Degene die zich in een eerdere instantie heeft gevoegd, en die in de daaropvolgende instantie niet als procespartij is betrokken, kan zich in die laatstgenoemde instantie dus voegen, zolang hij daartoe belang in de zin van art. 217 Rv heeft. Dat laatste zal doorgaans het geval zijn, nu de betreffende partij zich ook in de vorige instantie heeft kunnen voegen.

In deze zaak zal door het hof Arnhem-Leeuwarden na terugwijzing moeten worden beoordeeld of de partij die had gevorderd zich te mogen voegen, (gerechtvaardigd) belang heeft bij toewijzing van die vordering.

Gerechtvaardigd belang bij louter voeging?

De Hoge Raad overweegt dat een partij ‘gerechtvaardigd belang’ erbij kan hebben om louter door middel van voeging in de volgende instantie betrokken te blijven. De Hoge Raad licht niet toe waaruit dat gerechtvaardigd belang zou kunnen bestaan. Denkbaar is dat zo’n belang gelegen kan zijn in de proceskosten(veroordeling).

Share This